Tachtigjarige Oorlog houdt nooit meer op

2

Aan de stroom boeken over de Tachtigjarige Oorlog komt maar geen einde. En dat is maar goed ook. In onze tijd, waarin menig politicus de mond vol heeft van de Nederlandse identiteit, gedijen discussies over het Wilhelmus en het bezoeken van het Rijksmuseum door scholieren.

Het heeft alles te maken met identiteits- en nationaliteitsvragen. Die tachtig jaar zijn een cruciale periode in de Nederlandse geschiedenis, omdat er na een moeizame zoektocht onbedoeld een nieuwe staat ontstond: Nederland, toen de Republiek geheten.

Over de Tachtigjarige Oorlog schreef Arnout van Cruyningen opnieuw een boek: ”De Opstand 1568-1648. De strijd in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden”. Voegt het iets toe aan de lawine boeken over deze spannende periode uit de geschiedenis die we rijk zijn?

Waarschijnlijk verschijnt het boek nu omdat het dit jaar 450 jaar geleden is dat de Tachtigjarige Oorlog begon. Eerder schreef Van Cruyningen een tiental boeken over het koningshuis, en recent ”Stadhouders in de Nederlanden” (2017) en ”De Tachtigjarige Oorlog” (2017).

Weggegeven

Historisch gezien lijkt het me beter om met betrekking tot de periode 1568-1648 te spreken over de Tachtigjarige Oorlog dan over de Opstand. Immers, tot 1581 (het jaar waarin de Apologie, Oranjes reactie op de Ban van Filips II, en het Plakkaat van Verlatinghe verschijnen) kunnen we spreken van een opstand, een revolutie tegen de wettige heer der Nederlanden en koning van Spanje. In de periode daarna is er sprake van een soort officiële oorlog tegen Spanje.

Nu had de auteur het begrip Tachtigjarige Oorlog al weggegeven in zijn boek dat vorig jaar verscheen. In het eerste hoofdstuk van de Opstand wordt zijn boek over de Tachtigjarige Oorlog van 192 bladzijden samengevat in een chronologisch verhaal van 45 bladzijden over de strijd in de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden. Het is een handig overzicht geworden.

In de overige acht hoofdstukken komen even veel thema’s aan de orde: edelen en geuzen, koning Filips II en zijn dienaren, respectievelijk de godsdienst en de vrijheid als oorzaken van de oorlog, aartshertogen en landvoogden, twaalf Nassause helden, de Nederlanden als toevluchtsoord en de VOC en de WIC. De hoofdstukken zijn goed los van elkaar te lezen.

Geen nieuws, toch mooi

Ondanks het feit dat Arnout van Cruyningen met niets nieuws komt, is ”De Opstand” een mooi en goed boek. Het is prachtig vormgegeven, al heb ik een uitgesproken voorkeur voor gebonden edities. Ze zijn wat duurder, maar ze zijn zo veel mooier.

Het boek staat boordevol met functionele illustraties in kleur en zwart-wit. Op bladzijde 16 ontbreekt het onderschrift bij de illustratie. De kwaliteit van het boek zit ook in de grote hoeveelheid informatie die de auteur geeft. De populairwetenschappelijke uitgave is traditioneel en degelijk. Traditioneel omdat het alleen gaat over „koning, keizer, admiraal...” en vooral politiek-militaire geschiedenis aan de orde stelt. Degelijk omdat de auteur zijn bronnen beheerst en deze verantwoord weergeeft.

Opvallend is dat hij ook uitgebreid negentiende-eeuwse literatuur citeert. In zijn woord vooraf merkt de schrijver op dat het de lezer waarschijnlijk niet zal ontgaan dat hij een protestantse Noord-Nederlander is. Dat is inderdaad goed te merken aan de selectie en de rangschikking van de feiten en citaten. Nergens vervalt de auteur echter in partijdigheid of loopt hij de lezer voor de voeten. Het boek is evenwichtig en doet alle partijen recht. Zo is het voor Noord-Nederlandse protestanten minder bekend hoe het de Zuidelijke Nederlanden verging na de Unie van Atrecht en Utrecht in 1579.

Heilige huisjes

Het doet sympathiek aan dat Van Cruyningen wars is van het nodeloos omverhalen van heilige huisjes. Zo werd in het EO-tv-programma Blauw Bloed in 2012 de ‘ontdekking’ gepresenteerd dat Willem van Oranje nooit de laatste woorden „Mijn God, mijn God, heb medelijden met mij en met dit arme volk” heeft kunnen spreken. In de ophef die hierover is ontstaan, blijft Van Cruyningen kalm. Met het citeren van relevante argumenten in deze discussie kiest hij impliciet positie voor het standpunt dat de prins de woorden wel heeft kunnen spreken. In een van de vele kaders van het boek, over het auteurschap van het Wilhelmus, stopt hij bij de constatering dat „bij gebrek aan sluitend bewijs, de discussie over het auteurschap van ons volkslied geenszins gesloten is.”

Historische kwesties

Soms zou je willen dat de auteur echt ingaat op historische kwesties met een groot actualiteitsgehalte. De discussie over symbolen van de Nederlandse identiteit, zoals het Wilhelmus en het Plakkaat van Verlatinghe (1581), dienen zich hiervoor bijna wekelijks aan.

In essentie had de Tachtigjarige Oorlog (en nog meer de Opstand) een conservatief karakter: terug naar het middeleeuwse concept van de samenleving als een gemeenschap van orden, standen en maatschappelijke verbanden. In het Plakkaat wordt betoogd dat het regeren bij de gratie Gods niet alleen recht en aanspraak op het oog heeft, maar voor alles plicht en verantwoordelijkheid is.

De ideeën in het Plakkaat in verband brengen met individuele mensenrechten, zoals maar al te vaak gebeurt, is een anachronistisch partijpolitiek standpunt. Pas met de verlichting breken dergelijke ideeën baan. Veel waarden waarvoor men in de Tachtigjarige Oorlog streed, zijn ons helaas vreemd geworden. Laat dit historisch besef niet verdwijnen.

Boekgegevens

”De Opstand 1568-1648. De strijd in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden”, Arnout van Cruyningen; uitg. Omniboek, Utrecht, 2018; ISBN 978 94 019 1266 2; 320 blz.; € 27,50.