Taalrubriek: In de lappenmand is minder knus dan het klinkt

Lappenmand. beeld iStock

Daar lig je dan, snipverkouden op de bank. Net zoals die talloze andere Nederlanders die door een virus zijn getroffen. Als het de griep is –die stevig rondwaart– zit je zeker flink in de lappenmand.

Klinkt eigenlijk best gezellig, die lappenmand. Alsof je onder de wol kruipt. Behaaglijk, tussen de warme lapjes.

In mijn beleving zijn de lapjes zacht, en hebben ze winterse tinten. Zoals onze plaid van vroeger. Met grote ruiten en franje langs de rand. Dat dekentje hoorde bij ziek zijn. Met de sliertjes rondom kon je je heerlijk bezighouden. Liggen, vlechten en uithalen – de hele dag door, meer niet.

In werkelijkheid is de lappenmand helemaal niet zo romantisch, dat weet elke zieke. Behaaglijk? Je voelt je belabberd! Lekker warm? Je ligt te rillen! Of je zweet je –ook weer zo’n mooie taalvondst– het apezuur.

Het gebruikte beeld in het lappenmandgezegde is evenmin idyllisch. Wie in de lappenmand zit, heeft gezelschap van ruwe spijkerbroeken met gat op de knie en te stoppen sokken. Is terechtgekomen tussen de kneusjes. Je ligt er niet alleen bij: je bent een van hen. Onderdeel van de mand met verstelwerk.

Hij is in de voddenmand, werd vroeger ook wel gezegd, dat klinkt nog beroerder (aldus taalkundige F.A. Stoett in zijn ”Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden”, 1923-1925).

Grote kans dat het op dit moment een snotterig en snipverkouden gezelschap is, daar in die lappenmand (al zijn griep en verkoudheid twee dingen, maar dat terzijde). Volgens het ”Etymologisch woordenboek” (P. A. F. van Veen en N. van der Sijs, 1997), heeft ”snip” te maken met de vogelsoort snip. Als dat dier voedsel zoekt, schijnt er vaak een druppel aan zijn snavel te hangen. Het toppunt van verkoudheid, zo’n loopneus.

Andere bronnen (waaronder het ”Etymologisch Woordenboek van het Nederlands”, 2003-2009) voeren het woord ”snipverkouden” –dat al rond 1860 werd gebruikt!– terug op andere uitdrukkingen met de snip. „Hij kijkt als een (poel)snip”, zei men, als iemand beteuterd keek. En iemand was „dronken als een (poel)snip.” Niet vreemd gevonden: naar verluidt kan de poelsnip wild zigzaggend vliegen wanneer je hem opschrikt, als had het dier te veel op.

Doe mij, mocht ik ziek worden, toch maar die knusse lappenmand in plaats van zo’n dronken vogel. En dan maar hopen dat de lappenmand niet overvol raakt. Zodat alle kneusjes er niet te lang hoeven te bivakkeren en snel weer zijn opgelapt.

Tweewekelijkse rubriek waarin de herkomst van bekende en minder bekende uitdrukkingen wordt onderzocht.