Taalrubriek: Barbertje moet hangen

Multatuli publiceerde in 1860 zijn wereldberoemd geworden roman ”Max Havelaar”. Daarin stelde hij op een messcherpe manier de misstanden in Nederlands-Indië aan de kaak, eindigend met de hartstochtelijke vraag aan Koning Willem III of het zijn „keizerlijke wil” was dat „daarginds” meer dan 30 miljoen onderdanen werden „mishandeld en uitgezogen” in zijn naam.

De romantekst wordt voorafgegaan door een „onuitgegeven toneelspel” over een merkwaardige rechtszitting. Verdachte Lothario wordt ervan beschuldigd zijn vrouw Barbertje te hebben vermoord. En hoewel de aanklacht overduidelijk onterecht is –Barbertje verschijnt in levenden lijve ten tonele– wordt Lothario tóch veroordeeld omdat de rechter hardnekkig blijft vasthouden aan zijn vooroordeel. Barbertje móést hangen, zouden we nu zeggen.

Bárbertje? Maar zij was toch het vermeende slachtoffer? Zo kan het dus gaan met uitdrukkingen. Iemand heeft een klok horen luiden zonder precies te weten waar de klepel hing. En vervolgens Barbertje aangewezen als slachtoffer van de rechterlijke dwaling. ”Lothario moet hangen” klinkt ook minder pakkend dan ”Barbertje moet hangen”.

Lothario is een figuur die voorkomt in Goethes ”Wilhelm Meisters Lehrjahre” en die eveneens ten onrechte werd beschuldigd.

Aan het eind van het stukje wijst Multatuli op „de jurisprudentie van Lessings patriarch.” Deze christelijke patriarch van Jeruzalem figureert in het toneelstuk ”Nathan der Weise” (1779) van de Duitse dichter Gotthold Ephraim Lessing. De geestelijke wil niets horen ten voordele van de Jood Nathan, die een christenkind heeft gered en het, los van welk geloof ook, heeft opgevoed. „Dat doet er niet toe! De Jood wordt verbrand” legt Lessing hem in de mond. Multatuli, ook geen vriend van christenen, geeft zijn eigen draai aan het verhaal.

De uitdrukking ”Barbertje moet hangen” heeft oude papieren. Al op 12 juli 1879 werd ze gebezigd in het Soerabaijasch Handelsblad. Multatuli zou het nog kunnen hebben gelezen. In de zevende aflevering van een artikelenreeks waarin de jurist en bestuursambtenaar Marinus Cornelis Piepers (1835-1919) de maat werd genomen, schreef de anonieme auteur: „Met de feiten (geschriften) houdt hij zich niet op; deze laat hij links; ze komen bij hem niet in rekening. Barbertje moet hangen, niet omdat hij (sic!) schuldig is wegens misdrijf, maar omdat hij niet op de school is geweest, waar de regter het verlangt en ook, omdat hij leeft van zijn arbeid [broodschrijver].”

Tweewekelijkse rubriek waarin de achtergrond van bekende en minder bekende uitdrukkingen wordt onderzocht.