Spotlight: Stine Jensen over publieke geheimen

Sociale media

Geheimen bestaan niet meer in een digitale wereld – ieders ‘intieme kapitaal’ ligt op straat. Filosofe Stine Jensen vraagt zich af: Hoe gevaarlijk is dat? En wat voor gevolgen heeft het voor onze vriendschappen en relaties?

Mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt, vinden het soms onbegrijpelijk. Dat je al je persoonlijke informatie op internet prijsgeeft, dat je je meningen over politiek en religie, over personen en instanties verspreidt via Twitter, dat je je vakantiefoto’s zomaar op Facebook zet. Je weet toch wat er kan gebeuren als er ooit een foute overheid komt die misbruik maakt van zulke informatie?

Het is een van de problemen die Stine Jensen aan de orde stelt in haar boek ”Dag vriend” (een uitgebreide en herziene versie van haar vorig jaar verschenen essay ”Echte vrienden”). De rol van internet bij de Arabische lente is vaak bejubeld, sociale media kunnen écht helpen om een regime ten val te brengen, maar wat gebeurt er nadat de nieuwe overheid aangetreden is, die nog altijd precies kan nagaan wie de oproerkraaiers waren en waar ze zitten?

Ook op kleinere schaal zijn er tal van ingewikkelde situaties denkbaar. Er zijn genoeg voorbeelden van mensen die ontslagen zijn vanwege een twitterbericht, bij wie ingebroken werd nadat ze op Facebook hun vakantie hadden gemeld, of van wie relaties onder druk kwamen te staan doordat ze al te vrijmoedig hun mening over bepaalde mensen of dingen hadden geuit.

De kracht van Stine Jensens boek is dat de auteur haar lezers laat meedenken over alle problemen die ze zelf op dit vlak ervaart. Kan ze een foto van haar baby in bad op Facebook zetten, of niet? „„Joh, wat doe je nou moeilijk man!” „Moeilijk? Robert M., alias het monster van Riga dat inmiddels misbruik van meer dan 83 kinderen heeft bekend, had ook een Facebookaccount!” „Maar deze foto krijgt hij niet in handen!” „O nee? Er zijn computers en bibliotheken in gevangenissen, toch?””

Bovendien, hoe zit het met de privacy van haar dochter? „Ik bouw natuurlijk het liefst een muurtje om haar heen. Maar net als Willeke Alberti (...) slingerde ik haar intussen toch in de openbaarheid, want het concept ”privacy” vond ik op een nuljarige nog niet van toepassing. Zolang zij een luier droeg en haar ontlasting nog niet onder controle had, konden we van afgebakende lichaamsgrenzen, en dus van privacy, nog niet spreken.”

De echte reden om die foto op Facebook te willen zetten ontleedt Jensen intussen genadeloos bij zichzelf: „Volgens mij om te laten zien hoe schattig we ons hebben voortgeplant.” Maar dat laatste –jezelf etaleren door aandacht te vragen voor je kind– is natuurlijk niets nieuws, dat was vijftig of honderd jaar geleden óók al de reden waarom moeders een mapje met babyfoto’s uit hun tas visten.

Het enige verschil is dat die foto’s vroeger met een beperkte kring van twintig, dertig of –vooruit– vijftig mensen gedeeld werden, terwijl er nu honderden, duizenden zijn die er een blik op werpen. Bekenden en onbekenden, vrienden en vijanden. Op de sociale netwerken noemt iedereen zich een vriend, maar ieders ware bedoelingen zijn even rijk geschakeerd als in het echte leven.

De vraag wordt dus steeds prangender: wat zijn echte vrienden? Voor veel mensen is een echte vriend iemand met wie je persoonlijke dingen deelt. Die geef je niet aan iedereen, die bewaar je voor situaties waarin intimiteit en vertrouwen de toon zetten. Dat delen van ”intiem kapitaal” –de term is van Stine Jensen– is iets kostbaars, het schept en versterkt de band die er tussen echte vrienden bestaat.

Dat veel mensen hun persoonlijke dingen nu delen via sociale media, verandert het hele concept van vriendschap ingrijpend. De exclusiviteit is verdwenen, het is niets bijzonders meer als jouw vriend je in vertrouwen neemt – je moet zijn informatie delen met tientallen, honderden andere vrienden die stuk voor stuk hun intieme kapitaal verkopen voor invloed en populariteit. In een digitale wereld waarin wij ons allemaal veilig wanen, alleen met onze laptop, bestaan bijna geen geheimen meer.

Dat is wat internet, televisie, kranten en alle andere media in deze tijd fascinerend maakt, waarom journalisten altijd op jacht zijn naar persoonlijke nieuwtjes, waarom wij allemaal het meest genieten als we die ene foto zien of die ene uitspraak lezen van iemand die zich niet bewust was van het feit dat hij gefotografeerd of afgeluisterd werd. Het moment van betrapping, daarom gaat het volgens Jensen, het ontdekken van de geheimen van mensen die zich veilig wanen achter hun muurtjes en dan tóch gezien of gehoord worden.

Dat versterkt de behoefte om anoniem te zijn, om niet gehoord of gezien te worden – een onmogelijke wens, want in onze maatschappij weten allerlei instanties alles van je. Waar en hoeveel geld je opneemt, hoe je eruit ziet, wat voor zoekacties je op Google uitvoert (en waar dus je interesses liggen), waar je woont en hoe je te bereiken bent. De overheid bemoeit zich met onderwijs en gezondheidszorg, laat burgers medische vragenlijsten of enquêtes over opvoeding invullen – en al die informatie wordt ergens opgeslagen en raakt nooit meer zoek.

Mensen kunnen een stuk of 5, 6 echte vrienden aan, en niet meer dan 150 oppervlakkige contacten. Tenminste, zo was het vroeger. Maar tegenwoordig is het aantal echte vrienden naar slechts twee of drie gedaald, terwijl het aantal oppervlakkige contacten enorm is toegenomen. Op Facebook is iedereen je vriend, samen met duizend anderen. Hoe gaan we daarmee om, hoe houden we dat beheersbaar en hoe kunnen we daar echt mens bij blijven?

Stine Jensen probeerde zelf ooit te stoppen met sociale media, om erachter te komen dat ze niet zonder kon. Ze houdt het dus aan het eind van haar tot nadenken stemmende boek (waarin ze, hoe typerend, zorgvuldig geregisseerde persoonlijke informatie inzet) bij een realistische oproep. Wees terughoudend, besef wat je intieme kapitaal is, ga daar zuinig mee om, besteed bewust minder tijd aan sociale media en kijk goed wie je echte vrienden zijn.


”Dag vriend! Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en WikiLeaks”, Stine Jensen; uitg. Lemniscaat, Rotterdam, 2012; ISBN 978 90 477 0457 7; 176 blz.; € 12,50