Serie streektalen: „De Zeeuwse taele is de mooiste van aollemaele”

Streektalen
Lenie de Visser uit Aagtekerke hoort direct uit welk deel van Zeeland iemand komt.  beeld Dirk-Jan Gjeltema

Het Zeeuwse dorp Aagtekerke heeft een eigen volkslied, dat als volgt begint: „Midden op ons mooie Walch’ren, ligt het dorp waar ik van hou…” Wat opvalt is dat er geen woord Zeeuws bij zit.

Ook de provincie Zeeland heeft een eigen volkslied. Dat begint als volgt: „Geen dierder plek voor ons op aard, geen oord ter wereld meer ons waard…” Wat ouder Hollands, maar weer géén Zeeuws. Zijn de Zeeuwen misschien wel trots op hun provincie, maar niet op hun taal?

Een mooie vraag voor een rasechte Aagtekerkse, de 54-jarige Lenie de Visser-Minderhoud. Haar beide ouders zijn in Aagtekerke geboren en getogen, evenals zijzelf. „Op ’t durp en ook bie ongs thuus wier nie anders as Zeeuws hepraot. Ajje deftig moch praoten ’oorde je jen-eihe bezig. Je ò ook ’t idee dà je éél hek praotte.”

Wel vond haar moeder het belangrijk om ook goed (”deftig”, De Visser verwijst er nu nog naar als ”netjes”) Nederlands te kunnen. Dat leerden de kinderen ook wel in de lessen op school, maar zelfs op de mavo in Middelburg praatten de scholieren nog veel Zeeuws. De Visser leerde pas goed Nederlands op de Pedagogische Academie in Gouda. Wel zat ze daar doordeweeks op het internaat met verscheidene Zeeuwen, dus kon ze ook haar moedertaal blijven spreken. Met de nodige verschillen; De Visser kan meteen horen uit welk deel van Zeeland iemand komt. Zo spreken Zuid-Bevelanders de t in ”huust” uit, op Walcheren gebeurt dat niet. En het Walchers van ”Westkappel” is anders dan van ”Erremu” (Arnemuiden). Zeeuws-Vlaams lijkt meer op ”Belgs”.

Toen ze zelf les ging geven (in Meliskerke) moest dat uiteraard in het Nederlands. Ze trouwde, kreeg haar eerste kind en stopte met lesgeven – moederschap werd in die tijd op reformatorische scholen in Zeeland nog hoger gewaardeerd dan arbeidsparticipatie. Wel valt ze sindsdien af en toe in op de reformatorische school in Aagtekerke.

Zelf dacht ze er goed aan te doen haar kinderen met het ”Hollands” op te voeden. „Mè zodrae as ze op schoâle zaete hinge ze in ’t Zeeuws vèdder. Noe kun ze ’t aollebei.” Toch denkt ze achteraf weleens dat ze er misschien beter aan gedaan had hun meteen Zeeuws te leren. De kennis van die streektaal (tot erkende minderheidstaal heeft die het niet weten te schoppen) neemt af onder de jeugd. Dat merk je aan de woordenschat: ”guus(t)” (uitgesproken als ”huus”) wordt ”kinders”, ”pute” wordt ”kikker”.

Er zijn steeds meer kinderen die geen Zeeuws kunnen, deels doordat mensen van elders in de provincie komen wonen, bijvoorbeeld vanwege een huwelijk met een Zeeuw. De school doet zelf ook geen moeite om het Zeeuws in stand te houden: doordat velen het nog wel kunnen lijkt daar nog geen noodzaak voor te bestaan. En wat kun je in de wereld nou bereiken met het Zeeuws?

De deurbel gaat en De Visser moet het gesprek even onderbreken. „De pakjesman.”

Die is het inderdaad. „Hoeiemiddag. Kiek. Dag ’ee.”

„Dag ’oor.”

Bijbelvertaling

Terug in de woonkamer vertelt ze toch te merken dat Zeeuwen trots zijn op hun identiteit: „Ongs bin Zeeuwen. En me praoten een bitje boers.” Vroeger werd dat laatste als ietwat minderwaardig beschouwd, maar hier en daar verandert dat. Een actieve groep streektaalliefhebbers heeft bijna een complete Bijbelvertaling in het Zuid-Bevelands voltooid. Zeeuwen hebben de vele toeristen niet alleen bolussen en babbelaars te bieden, maar ook hun taal. Zo worden er T-shirts en snuisterijen verkocht met opschriften als ”De Zeeuwse taele is de mooiste van aollemaele”.

Een dicteewedstrijd tussen scholen, zoals die op Tholen wordt georganiseerd, kent Walcheren echter nog niet. Lenie zou er graag aan meewerken. „Jae, ’t Zeeuws moe bluve bestae!”

Hoe staat het ervoor met de streektalen in de RD-achterban? Een reis in vijf afleveringen door de Bijbelgordel om daar zicht op te krijgen. Volgende week vrijdag deel 2: Het Brabants.