Schoolmeester met een rooie draad

Het liefst tikte Aart Romijn de manuscripten voor zijn vele boeken in de huiskamer op een typemachine. De ’rooie’ protestants-christelijke schoolmeester-schrijver uit Amsterdam was geen studeerkamergeleerde. Ook geen salonsocialist trouwens. En al helemaal geen zondagschristen.

In ”Schoolslag” (1976) -een bundel met negen verhalen- legde Romijn na zijn pensionering een aantal onderwijservaringen vast. ”Door jou loopt een rooie draad! Ik hoop van harte dat je die nooit kwijt raakt”, zei collega Wil P. toen Aart als onervaren onderwijzertje ergens op de ”oostelijke eilanden” door de mangel van een klas rabauwen uit de onderste sociale klassen was gehaald. Die rode draad is bij Romijn altijd zichtbaar gebleven. Betrokkenheid op de zwakkeren in de maatschappij kenmerkte zijn leven. Zo liet hij tijdens de oorlog twee Joodse kinderen -Inge en Steffie- toe op zijn school als normale kinderen. Terwijl er ook veel leerlingen uit foute gezinnen op zaten. ”Na de oorlog zijn we veel geprezen. Te veel. Men was te weten gekomen, hoe besmet wij waren in de gevaarlijkste jaren, en we wáren er toch maar ongekreukeld doorgekomen. Incidenten hadden zich nooit voorgedaan... Ik kan me nòg schamen over mijn behendigheidsspel van toen.” Andere hoofdpersonen uit ”Schoolslag” zijn stuk voor stuk figuren die met grote of kleine moeilijkheden kampen. De ouders van de eigenaardige jongen Gerrit v.d. K. koesteren veel te hoge verwachtingen van hun zoon, maar hebben geen oog voor hun kind als mens. Totdat hij vlucht in een zelfgekozen dood. ”Gerrit had tussen ons geleefd en gewoond, we hadden om hem gelachen, maar wie had de jongen gekènd? Hàdden we ons voldoende ingespannen om hem, die zich zo moeilijk liet benaderen, over zijn vele ’dode punten’ heen te helpen?” Mart de R. is leesblind en heeft bovendien een ziekte die hem geleidelijk sloopt. ”De jongen heeft nog twee jaar medicijnen gestudeerd. Maar de hoofdzaak was, dat hij bij ons gelukkige jaren had gekend.” Danny uit 1c wordt thuis gekleineerd en getiranniseerd. ”Voor mij was het trieste, dat hij op zijn dertiende jaar al voor het leven gezakt was.”

Buitenstaanders

Aart Romijn combineerde zijn onderwijscarrière met het schrijven van kinderboeken en romans. Meer dan dertig titels staan op zijn naam; verschillende zijn vertaald in het Duits. Bovendien waagde Romijn zich op het terrein van hoor- en televisiespel. Na de oorlog steeg zijn ster als auteur in rap tempo. P. J. Risseeuw schreef in de Nieuwe Leidsche Courant van 4 december 1954. ”Hij heeft met zijn open, frisse manier van vertellen en door de gelukkige keuze van zijn milieus een grote lezerskring veroverd.” Die ”milieus” hebben bij Romijn meestal de functie om het type van een buitenstaander neer te zetten, de eenzame medemens die tussen de wal en het schip dreigt te raken. Een titel als ”De achtergrond” (1948) is in dit verband veelzeggend. Geert Dammers, afkomstig uit een armoedig arbeidersgezin, voelt zich sociaal de mindere van zijn medeleerlingen, hoewel hij tot de begaafdsten behoort. Tegelijk groeit hij juist door zijn intelligentie weg van het milieu waarin hij werd geboren. In ”Van Hollandse jongens in de Duitse tijd” (1952) beschrijft Romijn als een van de eersten de tragiek van een NSB-kind. De protestantse jongen Kees Velderhof raakt bevriend met Karel Oostveen, het zoontje van een NSB’er. Ondanks de spanningen die dit met zich meebrengt, wint de vriendschap het van de ideologische tegenstellingen. Buitenstaander is ook de protestantse Florentijn uit ”De laatste Ansman” (1954). De jongeman krijgt een verhouding met een katholiek meisje en wordt maatschappelijk buitengesloten. Iets vergelijkbaars doet zich voor in ”Voorjaar zonder lente” (1980): een Jood treedt toe tot het christendom en plaatst zich op die manier buiten de orthodoxe gemeenschap. In ”Ela de berendoder”, een verhaal uit het bronzen tijdperk, wordt de zieke Ela door zijn stamgenoten in de steek gelaten. Zijn zachte karakter -hij weigert nodeloos bloed te vergieten- maakt hem lange tijd tot buitenbeentje.

Grondthema

Romijn heeft zijn protestants-christelijke levensovertuiging nooit onder stoelen of banken gestoken. Tegelijkertijd was hij beducht voor ”een zekere christelijke eigendommelijkheid”, navelstaren in eigen kring. Romijn had een woord voor de wereld, zoals hij in 1956 op een bijeenkomst van ”drie letterkundigen” in Utrecht aangaf. ”Christus in een goddeloze wereld” was het grondthema van zijn werk, had hij collega Risseeuw ruim een jaar eerder toevertrouwd. ”Als je me vraagt wat ik als een gevaar zie voor ons werk, dan zou ik willen zeggen, dat we door allerlei oorzaken toch te veel blijven ingekerkerd in een bepaald soort conventie. We worden nog te veel geremd. We durven nog niet te publiceren wat we zouden moeten en willen schrijven.” Diezelfde missionaire drang komt naar voren in Romijns evangelisatieactiviteiten, waarvoor hij naast werk en schrijverij ook nog tijd vond. Afkomstig uit een buitenkerkelijk milieu, probeerde hij na zijn omkeer anderen met het Evangelie te bereiken. Romijn koos daarbij voor een onorthodoxe aanpak. In Amsterdam-Sloten was hij betrokken bij het Open-Deurwerk, een organisatie die niet alleen het blad ”De Open Deur” verspreidde, maar ook daadwerkelijk contact zocht met mensen. Juist op zondag -de uitgaansdag van onkerkelijk Nederland- waren voor Romijn en de zijnen de velden wit om te oogsten. ’s Zomers waren ze op die dag te vinden in het Amsterdamse Bos en in de wintermaanden was de bioscoop het werkterrein. Romijn aarzelde niet om aansluiting te zoeken bij de belevingswereld van zijn publiek. Hij huurde de bioscopen af om er verantwoorde films te vertonen of drukbezochte Open-Deurdiensten te houden. Een amusementsprogramma in het Amsterdamse Bos (compleet met conferenciers, acrobaten en dansgroepen) kon de verpakking zijn van een serieus onderdeel: een zendeling die over zijn werk in de oerwouden sprak of een predikant die op een begrijpelijke manier over de wáre vreugde vertelde.

Sociaal

Piet Terlouw spreekt in de Spiegel van 26 januari 1957 zijn lof uit over het sociale karakter van Romijns boeken. ”De eenzaamheid van zijn medemens, dàt is steeds weer het telkens terugkerend thema (...) van zijn boeken (...). Niet omdat Romijn die eenzame mens zo mooi vindt zonder meer, maar om hem uit dit isolement, waarin hij vaak door de omstandigheden buiten zijn wil geraakt is, uit te helpen. Dàt ziet hij als zijn taak als christen-auteur.” Terlouw wijst op de ”mineurstemming” die uit veel moderne, niet-christelijke literatuur spreekt. ”Ziet U, en dààr wil Aart Romijn iets anders tegenover stellen. Maar dan niet het gezapige huis-, tuin- en keukenleven van ’t kalme, slaperige doorsukkelende christelijke gezin, want met dit te beschrijven, daar hèlpt men zijn medemens, die aan de zelfkant van het leven staat, niet mee. Die gelooft daar niet meer in, want er gaat geen kracht, geen troost voor hem vanuit. Er moet wel een evangeliserende strekking, om deze uitdrukking maar eens te gebruiken, in een roman zitten, maar dan zó, dat deze door zijn frisheid en zijn originaliteit de onkerkelijke mens aanspreekt of nog liever aangrijpt.”

Geen vroom gepraat

Naarmate Romijn ouder werd, begon hij dieper na te denken over de manier waarop hij in zijn boeken de boodschap kon verwerken. In 1954 zei hij nog ferm tegen Risseeuw: ”Ik zal nooit een niet-christelijke roman kunnen schrijven.” Een interview met Romijn in dagblad Trouw van 14 februari 1977 begint met de bescheiden wens: ”Ik hoop nog altijd dat het me eens lukt een echt christelijke roman te schrijven.” In dit gesprek met Fred Lammers gaf Romijn aan hoe moeilijk het is om te zeggen wat christelijk nu precies is. ”Het is in elk geval geen vroom gepraat, want dat is een gruwel voor Gods aangezicht.” Een neutraal verhaal met een godsdienstig sausje zou nimmer uit Romijns pen vloeien. ”Het wezen moet christelijk zijn”, gaf hij aan. ”Ik ben vreselijk bang voor grote woorden. Als je in het christelijke kamp zit, heeft dat al een luchtje, het luchtje van de moraal. De geweldige arrogantie van het christendom is dat het denkt de wijsheid in pacht te hebben. Daarom heb ik altijd geprobeerd niet al te nadrukkelijk een boodschap of een moraal in mijn boeken te leggen. Het enige wat ik nastreef is dat de mensen, die mijn boeken lezen, daarin zichzelf of situaties herkennen. Ik heb eens gezegd dat het geloof door woorden onbewoonbaar is gemaakt. Daar sta ik nog achter.”