Ruziemaken voor de wetenschap: stijfkoppig, zonder verstand en steilorig

In de wetenschap twijfelt niemand meer aan het inzicht van Copernicus dat de aarde om de zon draait. beeld NASA
2

Op hoge toon ruzieden de zeventiende-eeuwers over de waarheid en verdedigden ze hun eigen gelijk tegen de warhoofdige praatjes van de ander. „Stijfkoppig, zonder verstand en steilorig bovendien.”

De overgang naar de moderne wetenschap ging in de zeventiende eeuw niet zonder slag of stoot. Wetenschapsjournalist Geertje Dekkers laat zien in ”Waanwijze lasterbende” hoe de oude garde het verloor van de jongere.

Eeuwenoude wiskundige ideeën van Archimedes en Euclides, de filosofie van Aristoteles, de beweging van de hemellichamen volgens Ptolemaeus, en de bloedsomloop naar de ideeën van Galenus, ze bleken achterhaald. Een nieuwe lichting geleerden, van boeren- of burgerafkomst, zette ze genadeloos overboord, want ze klopten niet met hun waarnemingen.

Dat botste geregeld met de zelfbewuste oude garde, die, afkomstig uit aristocratische kring, doorkneed was in het Latijn en de antieke geschriften. „De spanningen liepen hoog op, want iedere deelnemer was overtuigd van zijn gelijk en moest bovendien zijn eer verdedigen”, schrijft Dekkers. Maar in hun ruzies lagen de kiemen van de moderne wetenschap.

Echt verhit werd het debat als het christendom in het geding was en natuuronderzoekers durfden te tornen aan de Bijbel. De Leidse ingenieur Simon Stevin (1548-1620) verdedigde bijvoorbeeld in zijn boek ”Wisconstighe Ghedaechtenissen” het idee van Copernicus dat de aarde om de zon bewoog. En niet andersom, zoals Ptolemaeus in de tweede eeuw beweerde.

„Goede God, waartoe zal die goddeloosheid leiden?” schreef tijdgenoot en protestants geleerde Ubbo Emmius (1547-1625) toen hij over het boek hoorde.

Ajalon

De commotie ontstond vooral door de misvatting dat het copernicaanse wereldbeeld zou botsen met Jozua 10:12: „Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal van Ajalon.” Maar dat was niet het geval, liet de gereformeerde predikant Philippus van Lansbergen (1561-1632) zien. De passage uit Jozua was immers geen verhandeling over kosmologie, maar een beschrijving van de zaken zoals Jozua die had waargenomen.

Jean LeClerq (1657-1736) maakte zich vrolijk over het geschiedenisverhaal dat de Romeinse senator Quintus Curtius Rufus (?-53) had geschreven over de overwinning van Alexander de Grote op de Perzische troepen van Darius III. Terwijl Alexander maar 150 ruiters verloor en 302 voetsoldaten, stierven 100.000 Perzische voetsoldaten en 10.000 ruiters. „Hadden de Perzen soms zwaarden van hout, zonder ijzeren punt?” zo vroeg LeClercq zich schuddebuikend af. In zijn boek ”Ars Critica” maakte hij er gehakt van, en zette uiteen hoe een modern mens antieke teksten moet lezen.

In Leiden sloeg in 1674 de vlam in de pan. „Onderaardse geesten” hadden na lang broeden „enige twistgierige menschen uytgebroeyd.” In kerken spoog men donder en bliksem van de preekstoel en er heerste razernij aan de universiteit. Die was een twist- en kijfschool geworden, een hof van „sotternyen” en ondeugd en een bedreiging voor kerk en staat, schrijft arts Cornelis Bontekoe in 1679.

Godslasterlijk

Wat was er aan de hand? René Descartes (1596-1650) had de twijfel geïntroduceerd als denkprincipe: „Ik denk, dus ik ben.” Het denken was de enige zekerheid die hij had. En omdat hij zich in zijn gedachten een idee kon vormen van een volmaakte God, moest God bestaan. Maar dat was in de ogen van zijn gereformeerde tegenstanders godslasterlijk. „Descartus betoonde zich met zijn redenering hoogmoedig”, zo klonk het verwijt.

De Groningse hoogleraar Martinus Schoock (1614-1669) nam het Descartes kwalijk dat hij zijn ideeën niet vergeleek met de Bijbel. „Wie de kosmos wilde begrijpen, diende altijd rekening te houden met het Woord van de God Die alles had gecreëerd, en Die dus Zelf het beste wist hoe Zijn schepping in elkaar zat. Wie als mens dacht het beter te weten maakte geheid fouten.”

Dekkers schrijft ook hoe wetenschappers op den duur uit de voeten konden met de scheiding tussen hun wetenschappelijke discipline en de theologie. Al zouden grensconflicten tussen geloof en wetenschap blijven oplaaien. „Een berucht voorbeeld is tot op de dag van vandaag de onenigheid over de evolutietheorie, die zich niet laat verzoenen met de letterlijke lezing van de Bijbel. Voor een selecte groep kenners heeft de Bijbel het eerste en het laatste woord en daarom wijzen ze de evolutieleer resoluut af.”

In haar ”Waanwijze lasterbende” geeft Dekkers een vlot geschreven, helder overzicht van de zoektocht vanuit de middeleeuwse manier van denken naar ontwikkeling van de moderne wetenschap. Ook de huidige wetenschap heeft belang bij een kritische houding. „Absolute zekerheid hebben wetenschappers nooit in pacht gehad. Onenigheid hoort daarom nog steeds bij de zoektocht naar kennis over het heelal, de wereld en de mens.”

Boekgegevens

Waanwijze lasterbende. De geboorte van de wetenschap in acht ruzies, Geertje Dekkers; uitg. Unieboek Het Spectrum; 208 blz.; € 19,99.