Rian Vogel wil met lezen de honger stillen en het heimwee voeden

Uit de boekenkast
Rian Vogel-de Pagter uit Ablasserdam: „Ik heb altijd regels in mijn hoofd.”  beeld Sjaak Verboom
8

Als klein meisje al had Rian Vogel-de Pagter (58) altijd honger: naar kennis, willen weten. Boeken moesten die honger stillen. Nog altijd weet de docente Nederlands zich omgeven door leesvoer, vooral literatuur en theologie. En probeert ze de jeugd aan het lezen te krijgen. „De binnenwereld moet gevuld worden.”

Buiten bij de voordeur staat een houten kastje met boeken. Meenemen of omruilen, dat maakt voor Rian Vogel niet uit. „Als mensen maar lezen.”

Binnen in de woonkamer zijn ook overal boeken: in de kast, op de bank bij het raam, op de salontafel, in de mand. De jongste publicaties van prof. A. van de Beek en prof. A. Huijgen gebroederlijk naast boeken van Geert Mak en Stefan Hertmans. „Dit is nog lang niet alles”, zegt de Alblasserdamse, die zich „veellezer” noemt. „Boven hebben mijn man en ik allebei onze eigen bibliotheek.”

Wanneer deze moeder van acht kinderen en docent Nederlands aan de Marnix in Dordrecht leest? „’s Avonds bij een glaasje wijn. Of in de weekenden. In vakanties lees ik veel. Ik kan ook rustig op maandagmorgen, al ligt er veel werk, eerst m’n boek uitlezen. Zelfs in een volle kamer kan ik me gewoon afsluiten.”

Het was voor Vogel een hele toer om zeven boeken te kiezen die haar gevormd hebben. „Ik had een heel hoge stapel. Helaas, meer dan zeven mag niet.”

Bunyan: ”De christenreis”

1 „Bij ons thuis in Oost-Souburg stonden niet veel boeken. Mijn moeder las stichtelijke lectuur, m’n vader deed aanvankelijk niet veel met boeken. Toen de bibliobus op het dorp kwam, heb ik net zolang gezeurd tot ik erheen mocht. Ik had altijd honger; ik wilde weten, kennis verzamelen. En dan niet alleen maar ”De olijke tweeling”. Een van de boeken die er thuis wél waren was een kinderversie van de ”Christenreis” van Bunyan, verteld door H. van den Brink. M’n moeder had het boekje als kind gekregen toen ze de hele catechismus uit haar hoofd had opgezegd. Het boekje –ik heb het nu– bevat prachtige platen. Kijk maar: de strijd met Apollyon. Of hier: het pak dat bij het kruis van de rug glijdt en in een gat verdwijnt. Ik denk dat ik een jaar of acht was toen ik dit las. Ik had als kind al een enorme verbeelding; was altijd tegen poppen aan het praten; creëerde m’n eigen wereld. Dit boekje van Bunyan kent een diepere laag; het verhaal en de plaatjes verwijzen naar een andere werkelijkheid. Daar was ik gevoelig voor.”

Gerhardt: ”Onder vreemden”

2 „Op de middelbare school ontstond mijn liefde voor poëzie. Ik moest in klas 2 het bekende gedicht ”T’ en zijn de Joden niet” van Revius voordragen. Ik deed dat plechtig. Mooi, vond de docent. Maar kon ik ook iets vrolijkers declameren? ”Boerke Naas” van Guido Gezelle. Ook dat deed ik heel goed, volgens de docent. Poëzie speelt sindsdien een grote rol in mijn leven. Ik heb altijd regels in mijn hoofd. Gedichten van Nijhoff, Achterberg, Zijlstra, Barnard: prachtig. Maar ook kinderliedjes, natuurgedichten, psalmen. Mijn lievelingsgedicht is ”Onder vreemden” van Ida Gerhardt. Ik kan het zo opzeggen. Over een kind op het strand dat met heimwee uitziet naar zijn vader. Met als slotregel: „Ik wacht u, Vader van de overwal.” Zo’n beeld is zo sterk. Breng het heimwee dat wij in ons omdragen, dat diepe Godsverlangen, maar eens onder woorden. Zo’n gedicht hoef je met de leerlingen in de klas eigenlijk niet te bespreken. Tegen hen zeg ik vaak: „Zet je zintuigen aan.” Als je er gevoelig voor bent, kan zo’n gedicht even een stukje hemel op aarde zijn.”

De middeleeuwen: ”Elckerlijc”

3 „Een boekje dat van ellende uit elkaar valt, maar dat me zeer dierbaar is: ”Elckerlijc”. Op de middelbare school ontdekte ik de middeleeuwen. We kregen allemaal een rol om zo’n zinnespel als ”Elckerlijc”, gewoon een theaterstuk, samen op te zeggen; nee, we speelden het niet. De boodschap sprak me aan. Neem dit zinnetje: „Hoe dat elckerlijc mensche wert ghedaecht Gode rekeninghe te doen.” Dus dat we rekenschap moeten geven van ons leven. Dat sloot helemaal aan bij het bevindelijke milieu –we kerkten in de gereformeerde gemeente van Middelburg-Centrum– waarin ik was groot geworden. Bij wat mijn vader soms voorlas. Hij kwam tot verandering en ging lezen: Augustinus, Calvijn, Kohlbrugge. En als hij wat moois tegenkwam, moesten wij dat horen. Boeken als ”Elckerlijc” lieten me zien dat men ook in de middeleeuwen ervan doordrongen was dat het geloof iets persoonlijks is. Denk aan Thomas a Kempis, aan Jan van Ruusbroec. Het waren niet alleen maar duistere eeuwen.”

Rosseels: ”Dood van een non”

4 „Wanneer ik ”Dood van een non” van de Vlaamse schrijfster Maria Rosseels voor het eerst las, weet ik niet meer. We waren al getrouwd. Het raakte me: de innerlijke worsteling van Sabine, die vanwege kinderverlamming in een rolstoel zit en God belooft Hem te dienen in een klooster als ze geneest. Haar liefde voor Joris, die wordt doodgeschoten. Hun kind, dat sterft. Ook als ze alsnog het klooster in gaat, vindt ze de rust niet. Heeft zij de dood van man en kind op haar geweten? De lange brief aan haar broer, aan het eind van het boek, vind ik ontroerend. God laat Zich niet in onze systemen vatten, niet in onze dogma’s. Hij is de gans Andere, zoals Karl Barth zegt. Hij is een mysterie, niet na te rekenen. Wij denken in onze kring vaak dat alles vanuit de Bijbel en de dogmatiek te verklaren is. Maar heel vaak is er geen antwoord. Vaak is er, zoals Bonhoeffer zegt, een worsteling om God met God. Dat geeft een nederige houding. Op school overleed laatst een naaste collega. Hij was maar heel kort ziek. Hij stuurde kort daarvoor het lied ”Waarom moest ik uw stem verstaan?” van Ad den Besten door. Met die slotstrofe: „Spreek Gij dan in mijn hart en zeg, dat het zo goed is (...).” Dan heb je geen uitleg nodig. Dat deed zo’n kracht.”

Lewis: ”De kronieken van Narnia”

5 „Een prentenboek met deel 2 uit de ”Narnia”-serie van C. S. Lewis: ”Het betoverde land achter de kleerkast”. Toen onze kinderen jong waren las ik eruit voor, of keken ze er zelf in. Prachtige platen. Eigenlijk gaat het me om de hele ”Narnia”-reeks en het hele oeuvre van Lewis. Hij sluit aan bij mijn verbeeldingskracht, omdat hij in zijn boeken een andere wereld oproept. Verhalen met een diepere bodem, want in feite komt in deze serie de Bijbelse leer van verzoening en verlossing heel dichtbij. Zulke verhalen verbinden het transcendente met onze wereld, zorgen ervoor dat je gaat verlangen naar die andere wereld. Om ons heen krijgen we het beeld mee van een platte wereld. Wij zijn ons brein, zegt Dick Swaab. Ook onze kinderen zien zo veel plats. Boeken van Lewis kunnen helpen te zien dat er meer is dan het zintuiglijk waarneembare. Daarmee moeten we de binnenwereld van onze jongeren zien te vullen.”

Tony Reinke: ”Lees!”

6 „In boeken krijg je als jongere antwoorden op vragen die je nog niet stelt. Toen mijn vader uit de ”Institutie” voorlas, zei mij dat als kind nog niet zo veel. Maar later des te meer. Daarom heb ik altijd een drive gehad om jongeren aan het lezen te krijgen. Lezen biedt zo veel meer dan netflixen of spelletjes doen op je mobiel. Vooral als je niet alleen boeken leest die jou bevestigen in wat je al dacht. Lezen moet je uit je comfortzone halen. Lezen is proeven van een wereld die je nog niet kent. Tony Reinke geeft in ”Lees!” uit 2013 handvatten om mensen weer aan het lezen te krijgen. Daarbij benadrukt hij dat christenen mensen van het Boek zijn. We krijgen woorden om ons te laten zien wat onzichtbaar is. We geloven immers in dingen die we niet zien. Op de Marnix is gelukkig veel aandacht voor lezen. Vanuit de campagne ”Momentje vrij? Boek erbij!” hebben onze leerlingen altijd een boek in hun tas. Soms begin ik de les ermee: allemaal een poosje voor jezelf lezen. Weldadig!”

Bonhoeffer: ”Verborgen omgang”

7 „Bonhoeffer ontdekte ik doordat onze vroegere predikant ds. F. Hoek hem vaak aanhaalde. Inmiddels heb ik veel van deze theoloog gelezen. Zijn tegendraadsheid spreekt me aan. Hij was een ziener, die tegen de massa in ging. In ”Verborgen omgang” benadrukt hij aan de ene kant het belang van de gemeenschap. We geloven niet in ons eentje, we zijn als gemeente aan elkaar gegeven. Anderzijds noemt Bonhoeffer in dit boek het belang van de psalmen. Die verbinden ons met Christus, Die ze tot op het kruis citeerde. Ook in mijn leven hebben de psalmen een grote plaats; ik adem erin. Wat bij Bonhoeffer intrigeert, is dat hij wist dat zijn tegendraadsheid hem het leven kon kosten. Toch hield hij vol. Hij wist zich „door goede machten stil en trouw omgeven.” Als ik dat lied van hem lees of zing, heb ik direct kippenvel.”

---

Rian Vogel-de Pagter

Rian de Pagter (1960) groeide op in het Zeeuwse Oost-Souburg. Na het vwo op de Christelijke Scholengemeenschap Walcheren (CSW) ging ze aan het werk als secretaresse bij een uroloog. Na haar huwelijk met Kees Vogel woonde ze in Slikkerveer (Ridderkerk) en Hendrik-Ido-Ambacht en sinds twaalf jaar in Alblasserdam. Na de geboorte van haar jongste kind deed Vogel-de Pagter de lerarenopleiding Nederlands aan de Driestar in Gouda. In 2005 ging ze aan de slag als docent Nederlands aan het Wartburg College, locatie Marnix in Dordrecht.

Vogel-de Pagter kerkt zondags in de hervormde Grote Kerk van Alblasserdam. Zij en haar man hebben acht kinderen en zeven kleinkinderen.

---

Serie Uit de boekenkast

Mensen uit alle geledingen van de maatschappij vertellen over boeken die invloed hebben gehad op hun leven. Aflevering 4 in een serie. Op vrijdag 8 november deel 5.