Rembrandt in de schaduw

Rembrandt van Rijn. beeld English Heritage Archive
2

Met humor en spanning schildert Eva Völler in ”Tulpengoud” het leven van Rembrandt door de ogen van een talentvolle leerling. Geheimzinnige sterfgevallen, een gedragsstoornis en een grillige meesterschilder houden de lezer tot op de laatste bladzijde gevangen.

Het is het jaar 1636. Pieter, een talentvolle wees, is zojuist door zijn voogd bij Rembrandt van Rijn afgeleverd. De voogd is met eer van zijn zonderlinge neef af en lost tegelijk zijn ereschuld in. Voordat hij hem achterlaat, drukt hij de jongen nog een paar ”gouden regels” op het hart. Die neemt deze zo letterlijk dat zijn nieuwe meester geen fatsoenlijk gesprek met hem kan voeren. Pieter denkt lang na en Rembrandt ziet zijn lippen allerlei bewegingen maken. Net als de schilder zijn geduld dreigt te verliezen, komt het hoge woord eruit: Pieters voogd heeft hem opgedragen niet meer dan tien woorden te gebruiken. Dus telt Pieter de woorden voordat hij antwoord geeft.

Het voorval tekent Pieter ten voeten uit. Anno 2019 zou er ongetwijfeld een etiketje op de wees zijn geplakt, maar in het Amsterdam van de zeventiende eeuw worden alleen medische diagnoses gesteld. Dus leeft Pieter met een niet-gediagnostiseerde gedragsstoornis, waarvan hij zelf nog het minst last heeft.

De diagnose die in het boek wél een aantal keren wordt gesteld, is ”loodvergiftiging”. Terwijl de prijs van tulpenbollen elke week nieuwe records aantikt en de zeventiende-eeuwse grachtengordel geld en goed in effecten steekt, sterft een aantal rijke handelaren zonder aanwijsbare reden. Al snel blijkt er een opmerkelijk verband: alle slachtoffers waren opdrachtgevers van Rembrandt van Rijn, maar kregen bonje met de nukkige kunstschilder. De schout heeft dan ook snel zijn conclusie klaar: Rembrandt is de boosdoener. Allerlei voorvallen en voorwerpen in huize Van Rijn versterken die conclusie. De schout wordt echter gehinderd door Pieter, die met zijn onnavolgbare logica de moorden probeert op te lossen. Dat hij daarbij alle opties openlaat, wordt hem niet door iedereen in dank afgenomen.

Tragische persoon

Ondanks zijn talenten is Pieter een raadselachtige en soms ronduit tragische persoon. Voor hem telt alleen dat wat hij in logica kan vatten. Völler werkt die eigenschap op meeslepende wijze uit. Lezers krijgen een kijkje in Pieters gedachtewereld, waarin berekeningen en verbanden een belangrijke rol spelen. Ronduit hilarisch is de passage waarin hij tal van velletjes volschrijft met formules om zijn liefde voor een dienstmeisje te verklaren.

Dat Völler wel wat veel aandacht aan de hormoonspiegel van het 17-jarige schilderstalent besteedt, schuurt soms een beetje. Tegelijkertijd is het bijna pijnlijk om te zien hoeveel misbruik Pieters omgeving maakt van zijn naïviteit.

Toch is de onnavolgbare weesjongen uiteindelijk de held van het verhaal – ondanks of misschien juist dankzij zijn gedragsstoornis. Zijn kansberekeningen en axioma’s leiden uiteindelijk naar de daders van de moorden én maken hem schatrijk voordat de tulpenzeepbel knapt.

Wie ”Tulpengoud” leest, krijgt een realistisch beeld van Amsterdam in de Gouden Eeuw. De goudkoorts, de moorden en het leven van een worstelende puber worden door Völler schitterend beschreven. Bovendien zit er van begin tot eind vaart in het verhaal.

Al lezende blijf je je afvragen wie verantwoordelijk is voor de moorden en hoe ze opgelost gaan worden. De gedachtekronkels en hogere wiskunde zijn daarbij nooit een spelbreker. Dat lezers en passant een paar beroemde meesterwerken van Rembrandt geboren zien worden, is een prachtige bijkomstigheid. Daarmee figureert Rembrandt 350 jaar na zijn dood in een prachtig decor, waarin al het licht valt op zijn fictieve, talentvolle leerling.

Tulpengoud, Eva Völler; uitg. Meulenhoff Boekerij; 380 blz.; € 19,99.