Regenbuien in de kerkgeschiedenis

De titel van het boek ”De regenbui” is ontleend aan het waarschuwende woord van de reformator Maarten Luther, dat men Gods genade moet gebruiken als die er is. beeld Getty Images
2

Hij heeft de verschijning van zijn boek ”De regenbui. Begin, groei en neergang van het christendom en hoe nu verder” niet mee kunnen meemaken. Op 21 april van dit jaar overleed Gerrit Roos, voormalig adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, aan de gevolgen van corona in de leeftijd van 71 jaar.

Wie het boek ter hand neemt, beseft hoeveel tijd hij eraan moet hebben besteed. De titel van het boek is ”De regenbui”. Om in het beeld te blijven, alleen al het aantal, vaak uitgebreide, noten is al een regenbui. Ik telde er meer dan 1500, een mer à boire! Ik kan slechts enkele momenten aanstippen.

Met de titel is een rode lijn in het boek gegeven. Die is ontleend aan het waarschuwende woord van Luther, dat men Gods genade moet gebruiken als die er is. „Denn das sollt ihr wissen, Gottes Wort und Gnade ist ein fahrender Plaszregen, der nicht wieder komt, wo er einmal gewesen ist.” Roos typeert zelf zijn boek als „een waarschuwend signaal.” Waarschuwing trekt hij telkens breed, waarbij hij de eigen kring niet onbenoemd laat. En dan is het vooral de Vroege Kerk die voor hem als spiegel fungeert.

Wat valt er te leren van de Vroege Kerk? Daarmee begint het boek in een hoofdstuk ”Formatie”. Iedere christen was „individueel evangelist”! De Vroege Kerk was weinig gestructureerd en ook nog verdeeld, en toch was er groei. Het christendom was als gist. Het christendom groeide naar het Westen, maar ook naar het Oosten. Dat laatste wordt vaak vergeten, zegt Roos. Christenen gaven vooral getuigenis door hun levenswandel –ook diaconaal en als goede burgers– in een „pluralistische cultuur van brood en spelen.” Tegen de achtergrond van de vervolging van christenen in die dagen en van de ‘rust’ in dezen in onze tijd, zegt hij: „In de reformatorische zuil vormt die rust een groter gevaar dan secularisatie die van buitenaf dreigt.”

Kleur bekennen, zegt hij telkens. Geen oppervlakkige keuzes op „imponerende evangelische organisaties”, waarbij hij in een noot de EO-Jongerendag noemt, maar „een innerlijk verwortelde keuze.” Ik plaats hier de kanttekening dat zo’n innerlijk verwortelde keuze niet uit te sluiten valt bij imponerende evangelische of andersoortige organisaties.

In de concretisering van waarschuwingen voor onze tijd duidt Roos soms weleens ongenuanceerd. Met Tertullianus bijvoorbeeld: niet alleen tegen abortus maar ook tegen „geboortebeperking, make-up, geverfd haar en juwelen.” Hij eindigt dit hoofdstuk met de rechte keuze, die gewekt wordt als de liefde van God wordt uitgestort in het hart. Dat zegt hij nadat hij ook de vroegchristelijke belijdenissen heeft opgevoerd als „staf om te gaan en stok om te slaan.” Hier laat hij „het lied om te zingen” van die bekende drieslag van dr. O. Noordmans overigens onbenoemd.

Deformatie en reformatie

Na ”Formatie” volgen hoofdstukken over deformatie en reformatie. Het gaat inzake de deformatie dan om de secularisatie van „de geprivilegiseerde kerk” en „onenigheid over de leer” als belangrijkste gegevens. Inzake islamisering in die tijd loopt Roos alle landen in het Midden-Oosten langs. Daarbij maakt hij ook telkens melding van persoonlijke ervaringen in die landen, zoals hij eerder deed in zijn boek ”Schepen in de nacht”.

In het hoofdstuk over de Reformatie krijgt de Nadere Reformatie slechts kort aandacht. Het onderscheid van christenprediking en Christusprediking, waarover hij T. Brienen citeert, had hier beter uit de verf mogen komen, met aandacht voor verschuivingen in dezen van de vroege periode naar de latere. Ook in deze hoofdstukken benadrukt Roos de noodzaak van „innerlijke verworteling” van de gereformeerde leer. „Als geloof niet meer inhoudt dan een aantal uit het hoofd geleerde stellingen of diepgaande, maar niet meer dan uitwendige participatie in een zuil schiet het tekort. Zwart en degelijk materialisme brengt als de grote verdrukking komt slechts wanhoop en daarmee valt de dood niet onder ogen te zien.” Als het gaat om een „test voor echtheid” refereert Roos hier opvallenderwijs gelijkelijk aan de pastorale brief over kernbewapening van de hervormde synode (1981) en een uitspraak van de Russische baptist Georgi Vins: „De waarheid is weerloos, maar onoverwinnelijk.”

Roos neemt het op voor „de gereformeerde dogmatische geschriften”, die in onze postmoderne, door individualisme gekenmerkte tijd gedevalueerd worden. Maar ook nu weer, als het gaat om de gereformeerde belijdenissen: „de verwoording en de beleving van de belijdenis moet samengaan.” „Anders blijft er met alle protest tegen het morrelen aan de confessies niets anders over dan een dorre en starre rechtzinnigheid.”

Eigen tijd

In de laatste drie hoofdstukken –”Consternatie”, ”Organisatie” en ”Confrontatie”– komt Roos dicht(er) bij de eigen tijd. Dan komt een waaier van namen en gebeurtenissen langs, niet altijd gestructureerd, het ene meer, het andere minder onderbouwd. Vrijwel niets is aan zijn aandacht ontsnapt. Al snel komen „evolutietheorieën” aan de orde. In deze paragraaf onderscheidt de auteur onvoldoende evolutietheorie als wetenschap en evolutionisme als wereldbeschouwing. Als Roos hier stelt dat het woord ”scheppen” in de Bijbel „nooit voortkomt in relatie tot enige stof”, moet hier worden aangetekend dat de Schrift in Genesis 1 twee woorden kent voor scheppen: ”bara” (uit niets) en ”asah” (maken uit iets wat bestaat). De beknoptheid van deze paragraaf doet geen recht aan de complexiteit van het thema.

Gedegen gaat Roos in op Schriftkritiek. Inzake „het failliet van het verlichte denken” krijgt de Holocaust ruim aandacht en in dit verband de verhouding van de kerk tot Israël. Dan volgt opeens weer een paragraaf over zelfonderzoek. „Juist gereformeerden die de waarheid van het dogma in het hart bevinden, hebben een boodschap aan de wereld die snakt naar het kwaad en naar lustig en lekker leven. Een wettisch harnas overtuigt geen heiden. Het duidelijk getuigenis van het voor rekening van de Zaligmaker te leven maakt echter nog altijd indruk op mensen.”

Organisatie en zuilen

Uitvoerig en deskundig geeft Roos aandacht aan het organisatiestreven met de daaraan verwante verzuiling zoals dat in de negentiende eeuw gestalte kreeg onder leiding van Kuyper c.s. Ook de herzuiling onder de door C. S. L. Janse gedefinieerde „bevindelijk gereformeerden” komt breed in beeld. Geen organisatie blijft onbenoemd. De oorspronkelijke zuilen verdampten, zegt Roos terecht, omdat historisch besef ging ontbreken. Maar als hij de deugden van de reformatorische zuil, met „zuiltjes binnen de zuil”, heeft opgesomd, sluit hij betekenisvol af met: „En toch…” Dan volgt een paragraaf ”Organiseren faalt”. „Bleef het geestelijk vuur bewaard? Of raakte de zuil verstrikt in het oude kwaad van tradities en gestolde dogma’s, of ongefundeerde protesten?”

Door het hele boek heen laat Roos de invloed van media op de samenleving zien. In het hoofdstuk over organisaties krijgt uiteraard ook het Reformatorisch Dagblad aandacht. Hij signaleert dat er in de loop der jaren meer openheid kwam ten aanzien van „andersdenkenden” en meer oriëntatie op „de bronnen van de brede christelijke traditie.” Roos zelf laat het bij een beschrijving.

Wat zal ik verder nog zeggen van dit rijk geschakeerde boek? Waarom wel veel over Kuyper en niets over Hoedemaker, de tegenpool van Kuyper inzake de Doleantie? Waarom soms alleen een beschrijving van een kerkelijk geding, zonder eigen oordeel? Bijvoorbeeld in een overigens evenwichtige paragraaf over Johan Blauwendraad en diens ”Het is ingewikkeld geworden”, waarmee deze het „verwarde gemeentelid” binnen de Gereformeerde Gemeenten wilde bemoedigen.

Men kan met de auteur helaas niet meer in gesprek over vragen die hij soms zelf oproept. Maar met respect voor de wijze waarop hij geschriften heeft doorzocht, teneinde een beeld te krijgen van personen en gebeurtenissen de eeuwen door, gaf ik aandacht aan dit persoonlijk gekleurde boek. Zou het boek ook een naamregister hebben gehad, dan zou het nog aanmerkelijk dikker zijn geworden.

Ik eindig met de slotregel, een telkens herhaald refrein: „De grote vraag is (...) of er mensen zijn die vanuit de diepe doorleving van de waarheid van Gods Woord –zonde en genade– weer levende getuigen mogen zijn in de samenleving.”

Boekgegevens

De regenbui. Begin, groei en neergang van het christendom en hoe nu verder, G. Roos; uitg. De Banier; 421 blz.; € 29,95