Pleidooi voor vrouwelijkheid

In het Letterkundig Museum worden in een dun mapje vier kostbare velletjes papier bewaard. Ze zijn volgeschreven in een duidelijk handschrift en ondertekend met haar naam: Gera Kraan-van den Burg. Meteen al, bij de eerste regels, is duidelijk dat de tekst een samenvatting is van haar levensloop: ”Als kind was ik een leeswolf, die -zonder uitgesproken school -knap te zijn- voor haar opstellen de beste cijfers kreeg en op haar negende jaar De Delftse Wonderdokter verslonden had.”

Dat Gera Kraan later alle moeders aanraadt om hun dochters voor te bereiden op een plaats in de maatschappij heeft alles met haar eigen jeugd te maken - waarin het niet vanzelf spreekt dat een meisje een baan zoekt. ”Onder tranen bedelde ik, naar gymnasium of HBS te mogen gaan, maar mijn ouders meenden -’t was nog vóór 1900- dat voor een meisje talenkennis, naaien en flink in de huishouding, voldoende was. Zo kwam ik op m’n vijftiende jaar bij moeder thuis, waar hulp in overvloed en voor mij practisch geen werk was.” In al die vrije tijd kan ze veel lezen: historische romans, maar ook wetenschappelijke werken over personen uit het verleden. Dat ze niet zomaar vrijblijvend belangstelling toont voor geschiedenis en literatuur is meteen duidelijk: ze wordt echt gegrepen door bepaalde figuren uit het verleden en ze wil alles over hen weten. ”M’n vader merkte, dat de vrouwen uit de historie me meer interesseerden dan de attentie’s van het andere geslacht; hij gaf toe en in een jaar tijd veroverde ik de acte Lager Onderwijs. In Den Helder stond ik een jaar voor de klas, maar mijn liefde tot de geschiedenis was groter dan mijn paedagogische bekwaamheid.”

Tafelzilver

Ze studeert dus verder: eerst staatsexamen, daarna Nederlands en geschiedenis aan de Utrechtse universiteit. In die tijd debuteert ze ook met een bijdrage voor een studentenalmanak. Na haar kandidaatsexamen gaat ze opnieuw voor de klas staan, nu als lerares aan een Bussumse meisjes-HBS. Dat moet een moeilijke periode geweest zijn: ”de onprettigste maanden uit m’n leven”, schrijft ze. Om daar meteen met humor aan toe te voegen: ”Geld verzoet de arbeid niet, hoewel m’n tafelzilver en m’n eetservies tastbare herinneringen zijn aan die tijd.” In de periode dat ze zich verlooft met de gereformeerde predikant dr. E. D. Kraan, begint ook haar doorbraak als schrijfster in verschillende christelijke bladen: Stemmen des Tijds, De Spiegel, Opwaartsche Wegen. Maar pas als ze getrouwd is, waagt ze zich aan haar eerste roman, ”Knotwilgen” (1928). Een verhaal over een meisje dat vóór alles haar persoonlijkheid wil ontwikkelen, dat weinig mannen als haar meerdere wil erkennen, maar dat uiteindelijk toch de ware liefde vindt - waarna ze hem vrijwel meteen weer moet missen. Een paar jaar later volgt er een wat lichtere familieroman, ”Het huis ’De Gouden El’”, waarin het christelijke familieleven met de Moeder als stralend centrum tot leven komt. Intussen groeit ook het gezin, waarin ze zélf de moederrol vervullen moet. Wellicht zijn het haar eigen vijf kinderen geweest door wie ze tot het schrijven van kinderboeken gestimuleerd is: ”Hugo’s eerste groote reis”, ”Jooske’s moeilijke dagen”, ”De kinderen van meneer Smallenbeek” en diverse andere verhalen. Haar energie lijkt tomeloos. Ze schrijft artikelen in maandbladen als ”Moeder” en ”Vrouwenpost” -de titels spreken boekdelen-, ze heeft als ”moeder Dieuwertje” een column in De Standaard en ze redigeert het weekblad Bouwen en Bewaren, dat uitgaat van de Bond van Meisjesverenigingen op Gereformeerde Grondslag.

Opvoeding

Daarnaast vindt ze dan ook nog tijd om pedagogische schetsen voor diverse bundels te schrijven. Heel populair wordt het boek ”Moeder, zeg me eens... Antwoorden op meisjesvragen”, waarin ze christelijke moeders stap voor stap begeleidt bij de opvoeding van hun dochters, vanaf de wieg tot aan de trouwdag. Wie dat boek na meer dan een halve eeuw ter hand neemt, voelt zich meteen verplaatst naar de jaren vijftig. Het staat vol wijze lessen: ”Zoek het niet op straat of bij de weg”, ”Verlummel je tijd niet! Pak iets aan!”, ”Blijf nuchter en houd liefde en vriendschap gescheiden”. Heel behoedzaam en omzichtig vertelt de schrijfster hoe moeders hun dochters op seksueel gebied moeten voorlichten - pas als ze een jaar of dertien (!) zijn: ”Neen, honderdmaal neen, ons meisje vergist zich. Hetgeen zich tussen twee mensen afspeelt staat op veel hoger plan dan het gebeuren uit de dierenwereld. (...) De omgang tussen mensen wordt beheerst door de liefde, en van de liefde geldt dat zij nooit zichzelf zoekt.” De totale opvoeding plaatst Gera Kraan in het kader van de komst van Gods Koninkrijk. Diepe ernst en overtuiging spreken uit haar pleidooi voor een christelijke levensstijl. Ze heeft geen bezwaren tegen de radio, en ze is blij met verantwoorde christelijke films, maar tegelijkertijd wijst ze op de bewuste afzijdigheid van de Réveil-mensen ten opzichte van allerlei vormen van vermaak. ”Onze christelijke levensgewoonten veranderen. Dat behoeft niet verkeerd te zijn, mits wij ons er maar ernstig op bezinnen dat goede gebruiken een hoge beschermende waarde bezitten en het gevaarlijk kan zijn ermee af te rekenen. Onze levensgewoonten moeten zinvol zijn, inhoud hebben, verantwoord wezen. (...) Vraag nooit, hoeveel er nog nét mee door kan, maar wat God hebben wil. Doe Hem geen verdriet.”

Suze van Hall

Daarmee is meteen haar belangrijkste inspiratiebron ter sprake gekomen: het Réveil. Hoeveel activiteiten ze ook ontplooid mag hebben, Gera Kraan-van den Burg is toch vooral bekend gebleven door haar historische romans over Réveil en Afscheiding; over Maurits en Suze van Hall, over Frits en Cato Kohlbrugge, over Singendonck van Dieden en Groen van Prinsterer. In haar levensschets vertelt ze uitvoerig over het ontstaan ervan: ”In 1934 viel de honderdjarige herdenking van de Afscheiding en m’n sympathie ging uit naar die domineesvrouwen, die zo veel geleden hadden mét en óm haar man. Maar wat er van haar bewaard bleef, was al door anderen meegedeeld. Dr. Rullmann maakte me attent op ”de vrouw van Van Hall.” O, die heerlijke jaren, als je telkens iets vond, wat nog nooit gepubliceerd was - en het vaak nóg niet is! Nooit meer heeft het schrijven van een boek me zoveel geluk en levensverrijking gegeven als de bronnen-studie voor ”Brandende harten”. Vóór de publicatie zei ik: Al zijn de recensie’s nóg zo slecht, toch zal ik dankbaar zijn dat boek te hebben mogen schrijven.” Over de vrouwen van het Réveil schrijft ze trouwens ook voor het dagblad Trouw een serie artikelen. Daarin lijkt hun geestkracht, hun diepe geloof, hun vrouwelijke ingetogenheid en opofferingsgezindheid bijna tastbaar aanwezig te zijn. Het kan niet anders of de Trouw-lezeressen hebben zich erdoor gesticht gevoeld, net als door die andere serie van Gera Kraan: ”Vrouwen uit de geschiedenis”. Of de historische werkelijkheid ook zo zonder wanklanken is geweest? In een interview met P. J. Risseeuw in 1954 doet Gera Kraan daarover een opmerkelijke uitspraak: ”Er zijn zaken die met de mantel der liefde bedekt moeten worden.”

Vergeeld epistel

Dat neemt niet weg dat ze een grote liefde voor feiten heeft, voor archieven en documenten: ”Als je dan in zo’n vergeeld epistel leest van een moeder die aan haar dochter schrijft: ”Je vous aime louche” (Scheel heb ik je lief) dan zíé ik die mensen. Ik ruik de historie uit die oude brieven. Ik weet dat mijn talent klein is, maar schrijven doe ik zo graag...” Zo bescheiden hoeft ze van Risseeuw niet te zijn: haar romans steken wat psychologie en stijl betreft ver boven de middelmaat uit. ”Zij houdt zich niet op met lucratieve huisvlijt zoals deze soms wordt bedreven door serie-boekauteurs, doch acht geen moeite teveel om, aan de hand van oude familiepapieren, de tijd van afscheiding, reveil en kerkherstel voor ons te doen herleven.” Gera Kraan heeft zich als schrijfster altijd dienstbaar geweten. Op de manier van de mannen en vrouwen van het Réveil, die -zoals ze het zelf verwoordt- ”in hun levensgedrag, hun gewoonten, hun levensstijl hebben laten zien, dat zij werkelijk hogere vreugden kenden dan de kunst geeft, en grotere schatten bezaten dan de aardse. En iets dergelijks moet ook in óns leven zichtbaar worden.”