Nepnieuws ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog

In het pamflet ”Aerdt ende eygenschappen van Seignor van Spangien” uit 1598 worden alle lelijke streken van de Spanjaarden uitgemeten. beeld Geheugen van Nederland
2

Het is begrijpelijk dat tegenstanders elkaar in een oorlog zwartmaken en van veel slechte zaken beschuldigen. Want wie neemt de wapens nu op tegen lieve, redelijke mensen?

Dit heet oorlogspropaganda. Bedenkelijk is het als dergelijke zwart-witvoorstellingen voor waar worden gehouden en in de geschiedenisboeken belanden. Bij de Opstand of Tachtigjarige Oorlog is dat gebeurd. De clichés zijn bekend: keizer Karel V was goed voor zijn onderdanen, maar zijn zoon Filips II legde hun torenhoge belastingen op, voerde de inquisitie in en zijn troepen waren door en door wreed.

De Spanjaarden spreken in dit verband over ”de zwarte legende”. Daarmee wordt gedoeld op de sterk anti-Spaanse propaganda die met name vanuit de Nederlanden en Engeland werd verspreid en zo ook in de geschiedenisboeken terechtkwam.

Imago

Aan de hand van pamfletten en andere propaganda-uitingen onderzocht de Spaanse historicus Fernando Martínez Luna het imago van Spanje en de Spanjaarden, zoals dat in de periode van de Beeldenstorm (1566) tot aan het Twaalfjarig Bestand (1609) onder de Nederlandse opstandelingen ontstond. Hij promoveerde erop in Groningen.

Luna kwam van alles op het spoor, variërend van verwijzingen naar de gevreesde Spaanse inquisitie, beschrijvingen van oorlogsmisdaden door Spaanse soldaten onder Alva tot waarschuwingen voor vermeende plannen van Spanje om de hele wereld te veroveren.

Luna beweert dat „er tot nog toe weinig inhoudelijk onderzoek” is gedaan naar dit bronnenmateriaal, maar dat is niet helemaal waar. Uit 1956 dateert P. A. M. Geurts’ klassieker ”De Nederlandse Opstand in de pamfletten 1566-1584”, waarin hij met een genuanceerd oog keek naar pamfletten voor en tegen de opstandelingen. In 1989 volgde Craig Harline met ”Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch Republic”. Harline ging het vooral om de aantallen pamfletten die gedurende de hele periode tot 1648 verschenen.

Lelijke streken

Luna zet in zijn boek een aantal clichématige thema’s op een rij en vraagt zich daarbij steeds af: wat werd er door wie beweerd? Dat is wel nieuw.

De insteek van het boek is leuk: het pamflet ”Aerdt ende eygenschappen van Seignor van Spangien” –grappige plaatjes met teksten– uit 1598 wordt getoond. Daarin zijn alle lelijke streken van de Spanjaarden weergegeven. De Seignor lijkt een ”Engel inde Kercke”, een vrome rooms-katholiek, maar hij ontpopt zich tot ijdeltuit, schrokop en als militair tot een wreed, laf, wraak- en geldgierig persoon. In het vervolg van deze studie werkt Luna dit gegeven verder uit. Knap is dat hij zowel het Spaans als het Nederlands beheerst en een goed leesbaar boek aflevert.

Een van Luna’s voornaamste ontdekkingen is dat zich in de productie van pamfletten een verschuiving wat betreft de thema’s voordeed. Aanvankelijk werd de nadruk gelegd op de wreedheid en slechtheid van de Spanjaarden. Naarmate de Opstand een succes werd en de Republiek vorm kreeg, werd meer de voortreffelijkheid van de nieuwe staatsvorm aangeprezen. Maar dat moest geen reden zijn om dan maar te stoppen met de Opstand, want zonder voortzetting van de strijd tegen Spanje zou het voortbestaan van die succesvolle republiek van zeven verenigde provinciën in gevaar komen.

Doortrapt

Op de vraag of de beweringen in de pamfletten waar zijn, dus anno 2018 als historisch correct kunnen worden beschouwd, gaat Luna soms wel en vaker niet in. Dus of de opmerking van Johannes Fruytiers (ca. 1520-ca. 1582) in een pamflet uit het begin van de Opstand dat Spaanse soldaten alleen „tot saccagie ende plundering geïnclineert” waren (verwoesten en plunderen, anders wilden ze niet), correct is, mag de lezer zelf uitvinden. En als het gaat om de bewering dat die perverse soldaten gevangengenomen mannen „aan hun tee” ophingen, idem dito.

Luna schrijft verder dat men in de Nederlanden Requesens, de opvolger van Alva, net zo doortrapt vond als diens voorganger. Had hij immers in het zuiden van Spanje de opstandige morisken (moslims) niet misleid en gedood? Of dat verwijt terecht was (het was zeker ten dele waar), blijkt niet uit dit boek.

Natuurlijk krijgt prins Willem van Oranje ervan langs. Volgens Luna moet de „bijdrage van Willem van Oranje aan de negatieve beeldvorming van de hertog [van Alva] niet worden onderschat.” Dat was ook zo, maar met die constatering stopt zo ongeveer dat onderzoek.

Martelaren

Soms corrigeert de auteur de pamfletschrijvers wel, zoals de idee dat de Spaanse inquisitie in de Nederlanden zou zijn ingevoerd en voor al die martelaren verantwoordelijk was en dat Alva en de nieuwe bisschoppen dit allemaal mogelijk hadden gemaakt. Dat klinkt allemaal waarschijnlijk, maar er is helemaal geen Spaanse inquisitie in de Nederlanden geweest. Willem van Oranje meende van wel, want hij had hoogstwaarschijnlijk van de Franse koning gehoord dat Filips II plannen hiertoe had. Later, in zijn beroemde oudejaarsavondrede bij de Raad van State in 1564, nuanceerde hij dit, maar dat staat niet in het boek. Misschien omdat de door Luna afgebakende periode pas twee jaar later begint.

Vreemd is wel dat de studie van dr. H. Klink over Willem van Oranje in de jaren 1559-1568 niet is geraadpleegd, want daarin komt de prins als propagandist uitvoerig aan bod, alsook deze inquisitiekwestie. Nu beoogt het boek een studie van stereotypen te zijn en dat is het ook, niet meer en niet minder. Maar daarmee is het naar mijn mening ten diepste geen boek dat gaat over oorlogvoering, waarin pamfletten de taak hadden om die oorlog ‘te verkopen’. En waarin sommige bronnen correct worden gebruikt, maar andere werden verdraaid of zelfs verzonnen. Zoals in onze tijd bij nepnieuws. Als Luna dit gegeven verder had uitgewerkt, had hij het belang van deze mooie studie vergroot.

dr. R. P. de Graaf

Boekgegevens

”Een ondraaglijk juk. Nederlandse beeldvorming van Spanje en de Spanjaarden ten tijde van de Opstand 1566-1609”, Fernando Martínez Luna; uitg. Verloren, Hilversum, 2018; ISBN 978 90 870 4673 6; 208 blz.; € 25,-.