Meindert Dijkstra beschrijft historisch twistgeding over Palestina

beeld Wikimedia
2

„Van wie is dit land?” vroeg Isaäc da Costa tijdens een bezoek aan Palestina halverwege de negentiende eeuw aan een bedoeïen. Van niemand, antwoordde deze. „Zolang wij hier wonen is het van ons.”

De negentiende-eeuwse christenzionisten en de latere Joodse zionisten bezigden de slogan „een land zonder volk, voor een volk zonder land”, bij beide groepen respectievelijk geïntroduceerd door de Schotse predikant Alexander Keith (1843) en Israel Zangwill (1901).

De naam van Da Costa komt niet voor in ”Palestina en Israël. Een verzwegen geschiedenis”. Maar de vraag van wie het land is, vormt de achtergrond van het boek van Meindert Dijkstra, emeritus predikant van de Protestantse Kerk en oud-docent Oude Testament en oud-oosterse godsdiensten en culturen aan de faculteit godgeleerdheid te Utrecht.

Hij kent de slogan van de zionisten, zonder hun namen te noemen, maar schreef zijn boek vanuit de wetenschap dat er al in de dertiende eeuw voor Christus gesproken werd over Israël en Palestina, en dus over twee volken: Joden en Palestijnen.

Landbelofte

De start bij de dertiende eeuw voor Christus betekent dat de tijd daarvoor er historisch bij Dijkstra niet toe doet. Zijn oordeel daarover luidt: „Elk volk heeft zijn eigen historische mythes (…) Dat is voor Israël en haar ‘bijbelse’ tradities niet anders.” Al direct ziet hij daarom af van wat hij noemt „theologisch-ideologische argumentaties” met betrekking tot claims van Palestijnen en Joden op het land. In een noot wordt de landbelofte voor Israël uit Genesis 17:8 terzijde gesteld.

Alvorens Dijkstra aan de eigenlijke geschiedschrijving begint, geeft hij zich eerst ook rekenschap van archeologisch bodemonderzoek. Er wordt naar zijn oordeel te veel gegraven in Israël, want dat gebeurt alleen „om het zionistische verhaal van Israëls geschiedenis te vertellen en vervolgens historisch te claimen.” Die opgravingen moeten dienen om „de historische mythes” te bevestigen. Intussen zegt hij wel dat bijvoorbeeld de Dode Zeerollen van Qumran net zo goed als „cultureel erfgoed van de Palestijnen” kunnen worden beschouwd.

Na een lang voorspel trekt Dijkstra dan veertien hoofdstukken lang met beide volken de eeuwen door, van de dertiende eeuw tot en met de Eerste Wereldoorlog. De Filistijnen kwamen uit Kaftor en Egypte, de Israëlieten uit Egypte en de woestijn. De Babylonische en Perzische tijd komen langs, en vervolgens ”Kanaän als speelbal tussen de Ptolemaeën en de Seleuciden”, uitlopend op ”Palestina onder Romeins bestuur en de familie van Herodes, koning der Joden”.

Kennis van zaken

De auteur geeft blijkt van een encyclopedische kennis van zaken. Hij brengt een zodanig grote hoeveelheid feiten, data, jaartallen en personen bijeen dat de gemiddelde lezer het moeilijk in het geheugen zal opslaan. Dat wordt anders bij het hoofdstuk over de periode van de dood van Jezus tot de ondergang van Jeruzalem (70 na Christus), omdat we dan toch min of meer bekend terrein betreden.

Maar zoals Dijkstra met betrekking tot de historische betrouwbaarheid of relevantie van oudtestamentische geschiedenissen vraagtekens plaatst –de verhalen van David, Saul en Salomo zijn „historische mythen”–, zo doet hij dat ook met betrekking tot Jezus: „De herkomst van Jezus is in nevelen gehuld.” Aan de historische Jezus en Zijn gruwelijke kruisdood hoeft weliswaar niet getwijfeld te worden en ook niet aan het „Messiasgeloof van zijn volgelingen”, maar daar blijft het dan ook bij.

De geboorteverhalen dienen eerder „een theologisch doel: aantonen dat hij de beloofde Messias was”, dan dat zij „een toetsbare historische basis hebben.” Het zelfgetuigenis van Jezus als Zoon Gods krijgt geen historische plek. Dat past niet in de historische beschouwing. Jezus wordt wel geduid als „Jood van een ander Joods geluid”, die bijvoorbeeld „in zijn visie en prediking gevormd is door de omgeving in Galilea.” Ik zou daarentegen zeggen en belijden: het kruis is het centrum van de wereldgeschiedenis!

Vervolgens komt de periode onder Constantijn I aan de orde, gevolgd door het Byzantijnse Rijk, door ”Palestina onder de vroeg-islamitische kalifaten”, de vroeg-Ottomaanse en Mammelukse tijd (1200-1500) en de laat-Ottomaanse tijd (1500-1800).

Onrecht en subjectiviteit

Het laatste hoofdstuk neem ik apart. In de inleiding van zijn boek heeft Dijkstra namelijk gezegd dat, zoals elke geschiedschrijving, ook de zijne „subjectief” is. Hij verklaart zich nader door te zeggen: „Daar waar onrecht in het spel is, kan ik niet neutraal zijn.” Hij wil derhalve „het gebruikelijke historische beeld” corrigeren, een beeld dat alleen maar is gebaseerd „op de verhalen en beschrijvingen van de bijbel zelf.”

De subjectiviteit van Dijkstra is gelegen in zijn visie op de ramp, de naqba van 1948, toen de staat Israël ten koste van de Palestijnen werd uitgeroepen. Tot die datum gaat zijn geschiedschrijving niet. Maar hij loopt toch al vooruit op de vorming van de staat Israël. Dat hij in dat hoofdstuk nog eens benadrukt dat er ten tijde van de alija’s, de terugkeer van de Joden naar het Beloofde Land, ook al een Palestijns volk in de regio woonde, behoeft geen nader betoog. Hij wil duidelijk maken dat het Palestijnse volk al een eigen identiteit had ontwikkeld. Dijkstra opteert in dezen voor een Palestijnse staat. Maar wie hebben de tweestatenoplossing toen tegengehouden? En waar blijft de onderstreping van het recht op de Joodse staat?

Hier blijkt de subjectiviteit van de geschiedschrijver. Hij spreekt wel over „grootscheepse kolonisatie van Palestina in het politieke kader van de heersende imperiale grootmachten.” Hij spreekt over „het pamflet van Herzl”, te weten diens ”Der Judenstaat” (1896), waarin het zionistische voornemen zou staan „in het raam van de imperialistische Europese politiek van dat moment.” En de Balfourverklaring van 1916, waarbij aan Joden een nationaal tehuis werd toegekend, valt volgens de auteur ook onder dat onrecht.

Onverenigbare conclusies

En zo heeft de berg een muis gebaard. Het kolossale speurwerk van Dijkstra loopt uit op een eigen waardering van de terugkeer van de Joden naar hun thuisland. Om het in enkele woorden te zeggen: Bijbelse historie behoort tot de mythen, archeologie in Israël staat ten dienste van de zionisten, en de terugkeer van de Joden uit de wereld naar Palestina berust op machtspolitiek.

Dijkstra heeft, naar eigen zeggen, iets goed willen maken. De geschiedenis van het moderne Israël staaft voor hem „hoogstens het recht van de sterkste.” Deze benadering kennen we ook al los van de geschiedenis die Dijkstra beschrijft. Ik heb er geen moeite mee respect te betuigen voor de geschiedenis, die Dijkstra met zo veel woorden en feiten heeft geboekstaafd. In de moderne geschiedschrijving aangaande Palestina zijn er kennelijk onverenigbare conclusies. Dijkstra kiest duidelijk voor de New Historians.

Laat ik ten slotte ook maar eindigen met de verzuchting waarmee Djjkstra afsluit, namelijk met „het kortste en machtigste gebed van de Joodse en christelijke traditie: Kyrie Eleison, Heer ontferm U!” Dan kunnen we niet heen om de belijdenis van de God van Abraham, Izak en Jacob, de God van Jezus Christus, Die de historie leidt, ook met betrekking tot het volk dat Hij verkoos.

Boekgegevens

”Palestina en Israël. Een verzwegen geschiedenis”, Meindert Dijkstra; uitg. Boekencentrum, Utrecht, 2018; ISBN 978 90 239 5475 0; 351 blz.; € 24,99.