Martin Tijssen: RD staat voor een spannende opdracht

Martin Tijssen. beeld Wim van Vossen
3

Lange tijd vormde het Reformatorisch Dagblad boegbeeld en spreekbuis van de bevindelijk gereformeerde ‘zuil’. Geleidelijk aan wordt het dat minder, constateert Martin Tijssen. De 37-jarige cultuurhistoricus, docent aan het Hoornbeeck College in Goes, schreef het boek ”De krant en het pand”. „Het RD staat voor een spannende opdracht.”

Hoe droeg het Reformatorisch Dagblad bij aan de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap? Die vraag probeerde Tijssen in een masterscriptie in het kader van zijn studie kunst- en cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit van een antwoord te voorzien. Komende week verschijnt zijn scriptie in bewerkte vorm bij KokBoekencentrum Uitgevers in Utrecht.

Wat hebt u met het Reformatorisch Dagblad?

„Het was mijn eerste werkgever”, zegt Tijssen aan een tafeltje in Restaurant Grevelingen, bij Bruinisse, met een weids uitzicht over het water. Lachend: „Ik heb jaren de krant rondgebracht in Scherpenisse, waar ik geboren ben en nog steeds woon. Later ben ik docent in het basisonderwijs geworden, in Stavenisse. Inmiddels werk ik alweer zes jaar als docent burgerschap en Nederlands op het Hoornbeeck College in Goes. In mijn avonduren heb ik de studie beeldende kunst en vormgeving –tekenen, handvaardigheid– en aansluitend de studie kunst- en cultuurwetenschappen gevolgd. De laatste heb ik afgesloten met een scriptie over het Reformatorisch Dagblad.”

Dat lijkt geen heel logische combinatie.

„Nee... Je kon kiezen uit verschillende afstudeerrichtingen, zoals filosofie en cultuurgeschiedenis. Ik heb voor de laatste discipline gekozen. Daarbij was ik gebonden aan het onderzoeksgebied ”De modernisering van Nederland na de Tweede Wereldoorlog”.”

Wat bracht u tot uw onderzoeksvraag?

„Het desbetreffende onderzoeksgebied werd onder andere benaderd vanuit de invalshoeken identiteit en vrije tijd. Omdat ik mijn onderzoek wilde koppelen aan de bevindelijk gereformeerde gemeenschap kwam ik algauw terecht bij de Wegwijsbeurs, die lange tijd als hét evenement van bevindelijk gereformeerd Nederland werd gezien. Vervolgens ben ik breder gaan kijken: wat heeft de organisator van deze beurzen, het Reformatorisch Dagblad, gedaan om een bevindelijk gereformeerde gemeenschap te vormen en in stand te houden?”

Uw gevoelens bij de beurzen waren vermoedelijk niet heel positief. Het kopje boven het hoofdstuk hierover luidt „”Lekker onder ons...” (1985-2003).”

„Dat was een uitspraak van de toenmalige directrice van Terdege, G. A. Wilbrink. Ik heb geprobeerd om zo objectief te beschrijven hoe ánderen tegen bijvoorbeeld Wegwijs, of de autopagina in het RD, aankeken. En dan moet je vaststellen dat daar ook veel kritiek op kwam. Ik weet niet of de bedenkers dat altijd zo hebben voorzien.”

„Hoewel het Reformatorisch Dagblad doet voorkomen dat het bestaan van een bevindelijk gereformeerde gemeenschap ten grondslag ligt aan het ontstaan van de krant, is eerder het omgekeerde het geval”, stelt u. Dicht u het RD hiermee niet een te belangrijke positie toe? Het waren toch mensen uit verschillende kerkverbanden die elkaar vonden in de wens een ‘eigen’ krant op te richten.

Tijssen, zelf behorend tot de Gereformeerde Gemeenten: „Ik heb ervoor gekozen om de geschiedenis van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap in 1966 te laten beginnen. Pas dan wordt voor het eerst op nationaal niveau nagedacht over een groepsidentiteit: wie vormen de achterban van het op te richten Reformatorisch Dagblad? De oprichters kiezen ervoor om bepaalde gemeenschappelijke kenmerken te benadrukken, en andere kenmerken –de drieverbondenleer bijvoorbeeld– juist niet. Later heeft dr. C. S. L. Janse die groepsidentiteit verder op formule gebracht in zijn proefschrift ”Bewaar het pand”. Janse heeft daarnaast, als hoofdredacteur van het RD, sterk de nadruk gelegd op het belang van zuilvorming.”

Een van de oprichters, W. van der Zwaag, zag het Reformatorisch Dagblad als een „oorlogsverklaring” aan onder meer „de geest uit de afgrond.”

„Inderdaad, sterk offensief. Gaandeweg de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig wordt de houding veel defensiever.”

In uw studie maakt u gebruik van een sociologisch model om de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde groepering sinds de komst van het RD te beschrijven. Welke lijn ziet u, samengevat?

„Op basis van een model van de Amerikaanse sociaalpsycholoog B. Tuckman onderscheid ik vijf stadia, of perioden, in deze ontwikkeling. In de eerste periode, de jaren 1966 tot 1971, zie je dat de oprichters een achterban achter zich moeten zien te krijgen. Dat kost best moeite. Is de eerste krant eenmaal verschenen, in 1971, dan zijn er in de jaren tot 1981 de nodige conflicten rond de koers. Mensen als de christelijke gereformeerde ds. J. H. Velema, ds. A. Vergunst van de Gereformeerde Gemeenten en ir. J. van der Graaf van de Gereformeerde Bond spelen daarin een belangrijke rol. Belangrijke vragen zijn: op wie richt de krant zich nu precies?

De derde fase eindigt rond 1985, als C. S. L. Janse met zijn proefschrift min of meer een blauwdruk geeft van de bevindelijk gereformeerde identiteit. Ook in wetenschappelijke kring wordt de term bevindelijk gereformeerden als aanduiding voor deze bevolkingsgroep –de zogenoemde zwartekousenkerken– overgenomen.

In de jaren daarna komt sterk de nadruk te liggen op zuilvorming, waar iemand als J. van der Graaf overigens weinig van moest hebben. In dat opzicht was hij de luis in de pels van het RD. Maar wat je in deze periode, tot 2003, ziet, is dat er gesproken gaat worden van refo’s, osm’ers: ons soort mensen. Ook de Wegwijsbeurs en een blad als Terdege ontstaan dan. Er is sprake van gemeenschapsvorming.

Na het vertrek van Janse als hoofdredacteur, in 2003, en de komst van W. B. Kranendonk, treedt de vijfde fase in. De luiken gaan wat meer open, de blik wordt meer naar buiten gericht. Voor bijvoorbeeld de ChristenUnie komt meer ruimte. In plaats van de term zuil gebruikt directeur B. Visser liever het woord community. Voor die community, die gemeenschap, ontwikkelt de Erdee Media Groep nieuwe initiatieven – die succesvol zijn, zoals de Bijbel met uitleg, of juist vervreemding oproepen, zoals het videokanaal Nieuwswaardig. In deze fase bevindt het RD zich nóg.”

Een nadeel van een sociologisch model kán zijn dat het een mal wordt waarin van alles wordt geperst. De werkelijkheid is niet zelden complexer.

„Daar ben ik mij goed van bewust. Geschiedschrijving is altijd een interpretatie. Het model was voor mij een middel om greep te krijgen op de enorme hoeveelheid materiaal. Daarbij heb ik geprobeerd rekening te houden met de beperkingen van een model.”

U merkt bijvoorbeeld op dat er in opiniërende bijdragen meer aandacht kwam voor auteurs als C. S. Lewis, Tim Keller en Dietrich Bonhoeffer – een „vrij fundamentele theologische heroriëntatie”, citeert u Bart Jan Spruyt. Dat de krant deze bijdragen plaatst, wil nog niet zeggen dat zij daar ook achter staat.

„Ik weet niet of een gewone lezer dat onderscheid ook maakt. Zelf ben ik me door het RD meer gaan verdiepen in deze auteurs. Wat je ook zag, was dat dr. Janse in De Saambinder liet weten dat hij dit alles „hoogst bedenkelijk” vond: Bonhoeffer past niet in het bevindelijk gereformeerde spoor. Tien jaar geleden zou het nog ongebruikelijk zijn geweest dat op die manier, via een kerkelijk orgaan, kritiek werd geuit op het RD.”

„De krant die de bevindelijk gereformeerde gemeenschap construeerde en articuleerde, vormt steeds minder haar boegbeeld”, stelt u vast. Ligt dat aan de krant of aan haar achterban?

„Mede aan de achterban. In hoeverre zien mensen de noodzaak van een identiteitsgebonden krant nog in als ze het nieuws gratis op internet kunnen vinden? Tegelijkertijd denk ik dat de verbreding van de krant naar „de volle breedte van de gereformeerde gezindte” toch ook een rol speelt: sommigen herkennen zich er niet meer helemaal in.”

Een belangrijke vraag als het hierover gaat, is: wat is kip en wat is ei? Ook de bevindelijk gereformeerde gemeenschap verandert – denk aan het gebruik van sociale media en film. Bijna onvermijdelijk heeft dat zijn weerslag op een mediabedrijf dat uit haar midden voortkomt.

„Dat is zeker een interessante vraag. Waarbij je als bedrijf ook nog eens te maken hebt met vraag en aanbod: hoe houd je een en ander rendabel?”

Voor uw boek had u contact met verschillende RD-medewerkers, schrijft u in uw Woord vooraf. Hebt u overwogen de hoofdredacteur zelf ook te spreken?

„Ik heb mij vooral willen baseren op schriftelijke bronnen. Veel informatie heb ik bijvoorbeeld uit Digibron gehaald. Het contact met enkele RD-medewerkers was meer bedoeld om te controleren of het klopte wat ik schreef.”

Wanneer de huidige ontwikkelingslijn op de Nederlandse dagbladenmarkt doorzet, zullen er rond 2035 geen papieren kranten meer zijn, schrijft u. Hoe ziet u de toekomst van het RD?

„Ik vind het lastig om daar op basis van mijn onderzoek iets zinnigs over te zeggen. Het zou kunnen dat de –al dan niet bevindelijke– gereformeerde gemeenschap straks online wordt voortgezet, zoals de huidige hoofdredacteur, S. M. de Bruijn, wel geopperd heeft. Ik weet dat niet. Aan het slot van mijn boek schrijf ik: „Het RD staat voor de spannende opdracht om te midden van deze ontwikkelingen de band te bewaren.” In elk geval zou ik het als bedrijf niet zoeken in activiteiten die, zeg, werelds zijn, waar materialisme de boventoon voert. Als je tenminste tegelijkertijd wilt volhouden dat de tijdgeest moet worden weerstaan. ”

De krant en het pand. Het Reformatorisch Dagblad en de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap, Martin Tijssen; uitg. KokBoekencentrum, 144 blz.; € 12,99.