Marinus Dankers: schrijver op zee, lezer op land

Uit de boekenkast
Marinus Dankers: „Loslaten en overgeven, dat is waar het uiteindelijk om gaat.” beeld Sjaak Verboom
7

Hij ziet zich nog als kleine jongen zitten, in dat oude arbeidershuisje in Hardinxveld-Giessendam. Boekje op zijn schoot, stukje tong tussen de lippen, zijn wijsvinger bij de letters. Agent, ágent, águnt? „Moeder”, vroeg de kleine Marinus Dankers, „wat is toch een águnt?”

Dankers’ (92) tred is vertraagd, maar zijn rug is recht. Hij schuifelt door zijn ruime appartement in Rotterdam-IJsselmonde, kookt zelf zijn potje, wast zijn eigen kleren, maar heeft het strijken uitbesteed aan „een mijner vriendinnen” in het seniorencomplex. Een boekenkast op zijn werkkamer, een in de huiskamer. Van oudvaders, nagelaten door opoe, tot Jan en Annie Romijn. Werken van kruisdominees tot die van Geert Mak. Nevil Shute broederlijk naast George Eliot; Dankers leest even makkelijk Engels als Nederlands.

Het leven van Marinus Dankers speelde zich deels af op zee. Hij was „schrijver” bij de marine en verzorgde administratief werk op een torpedobootjager en een kruiser. Maar de schrijver had vooral een lezend leven. Wat begon bij ágent, ging door tot nu toe. „Zo las ik gisteren een boekje over een kapitein die sneuvelde op de Krim. Dat maakt mij dan nieuwsgierig en dan zoek ik er informatie bij over de Krimoorlog.”

Tot voor kort gebruikte Dankers zijn laptop intensief. Er is een beetje de klad in gekomen. „Maar dat pak ik binnenkort weer op, zodat ik weer kan mailen. En zo.” Een hapsnapwandeling door het leesleven van een ‘schrijver’.

1. Penning: tranentrekkend

De boeken van Louwrens Penning, Dankers verslond ze. Moeiteloos somt hij er wat op: „”De held van Spionkop”, ”De Leeuw van Modderspruit”, ”De verkenner van Christiaan de Wet” en ”De kolonist van Zuidwest-Afrika”. Je ging er helemaal in op: de liefde tussen Louis en Truida Uys, de „lieflijke bloem van de Natalse bergen.” Ja, die Penning was een echte negentiende-eeuwer in zijn beschrijvingen. Als jochie las ik over het sterven van Kees, de broer van Louis. Hij was gewond of gevangen, ik weet het niet meer precies. Maar zijn vader was bij hem en las uit Openbaring: „Daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.” Diepe indruk maakte het op me, het gaf zelfs wat tranen. Maar mijn vader had het er niet zo op. Die Penning was immers nooit in Zuid-Afrika geweest. En, erger, al die boeren meenden dat een kaffer geen ziel had.”

2. Gerdes: opgesmukt

„Och, och, och. Vader had een heel eigen mening. De boeken van Eduard Gerdes, die ik allemaal met veel genoegen las, vond hij niks. Opgesmukt, te lichthartig en te lichtvoetig. Ik kon maar beter boeken van Hendrik Jan van Lummel lezen. ”De smidsgezel van Utrecht”, ”De hopmansvrouw van Utrecht” en ”De bijlhouwer van Utrecht”. Die konden er bij vader mee door en ze hoorden gewoon bij mijn opvoeding. In mijn herinnering genoot ik ook van deze boeken. Later heb ik ze opnieuw gelezen en vroeg ik me af waarom ik ze zo mooi had gevonden.

Vader bedoelde het natuurlijk goed. Maar ”De oude schoolmatres en hare vrienden” van ds. P. Los was voor mij als kind toch iets te gortig. Het verhaalt van de leidingen die God met Zijn volk houdt in hun leven. Het was bedoeld ter bemoediging en vertroosting. Maar als kind had ik mijn gedachten veel meer bij de oorlog die woedde en je was bezet met school en alle dingen die een kind bezighouden.”

Voor de oorlog was vader timmerman. Er was weinig werk en veel armoede. Daarom werd vader naast timmerman ook lijkbezorger, ook wel doodbidder genoemd. Hij hield ook van boeken en las ons voor. ”Teun de stroper” van C. W. M. Plet. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van afscheiding van de Christelijke Gereformeerde Kerken van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1897. Ik zie het nog zo voor mij. Hoe de stroper door de weilanden en bossen struint en zijn vallen zet. Maar toch niet tevreden is met de karige boterham die zijn jacht opbrengt. Hij probeert in het testament van zijn tante komen, maar God komt hem tegen.”

3. Spurgeon: Tien zwarte paarden

„Toen nam vader de boeken van Spurgeon op schoot. Ja, ja, de prins der predikers is wel wat evangelisch, maar zijn bekeringsverhaal kon je goed lezen, vond hij. Voordeel was ook dat er tekeningen in het boek waren afgedrukt. Bijvoorbeeld van de boerderij waar Spurgeon opgroeide. Pa wees op de kippetjes, de bomen, de andere dieren. Dat nam je mee het verhaal in. Zodra ik kon, ging ik het ook zelf lezen. ”De tien zwarte paarden”, dat maakte indruk. Spurgeon verhaalt over zijn braakliggende hart, en de grote Landman Die aan het werk gaat. Tien zwarte paarden waren voor Zijn ploeg gespannen. De ploegschaar die Hij gebruikte was scherp, en de ploegers hebben diepe voren getrokken. Die paarden waren de Tien Geboden. Spurgeon werd erdoor veroordeeld, zij scheurden zijn hart uiteen. Hij voelde zich vernield, hulpeloos en hopeloos. Dan vervolgt hij: „Toen kwam er een dwarsploeging, want toen ik naar Gods huis ging om het Evangelie te horen, vertroostte het mij niet.” Hij zocht het, wilde er deel aan hebben, maar vond geen antwoord in vrede. Dat duurde maar. Ik voelde zo dat dat écht was; daar lag mijn hart. Hier gebeurde bij Spurgeon iets wat zijn leven veranderde. En misschien het mijne toen ook wel een beetje.”

4. Praamsma: betrouwbaarder

Marinus kon goed mee op school en moest maar naar de mulo. „Vader had wel wat bezwaren, maar moeder veegde die van tafel. De christelijke mulo in Hardinxveld vond vader te luchtig, de school in Sliedrecht te ver. Daarom moest ik naar de openbare mulo bij meneer Tukker. Vader ontmoette diens vader Jan Kees Tukker regelmatig op de gezelschappen. Zijn zoon was niet kerkelijk, maar had zijn opvoeding niet van zich afgestroopt. De geschiedenisles wist hij altijd aan Gods Woord te verbinden. Zo van: Toen hier de Batavieren de Rijn afzakten, werd er in Israël een Kind geboren. Meneer Tukker bracht ongetwijfeld mij de liefde voor geschiedenis bij. Dat kwam me later goed van pas.

Na de oorlog kwam ik binnen de SGP terecht. Ik zette me aan het lezen om mijn koers te kunnen bepalen: ”Het wonder van de 19e eeuw” van Algra ploegde ik door. Een prachtig boek waarop je niet uitgestudeerd raakt. Hoewel, ”De Kerk van alle tijden” van dr. L. Praamsma kwam op mij betrouwbaarder over. Ik zit er nog regelmatig in te lezen.

Ik kwam, na drie jaar in Curaçao te hebben gediend, uiteindelijk terecht in Den Helder en we sloten ons als gezin aan bij de oud gereformeerde gemeente daar. Ach, dat ging zomaar vanzelf. Ik kwam in de kerk en daar zat een maat, bootsman Uyl. Hé Dankers, kom, hier is een plek voor jullie. En er werd een prachtige preek gelezen. Zo ging dat.”

5. Van der Groe: genieten

„Al snel werd ik gekozen als diaken. Of ik ook maar catechisatie wilde geven en preken zou willen lezen. Daarmee was lezen een permanent deel van mijn leven geworden. Ik wilde graag lezen, maar ik moest ook wel. Je leerde er zo ontzaglijk veel van. Van Groen van Prinsterers ”Ongeloof en Revolutie” tot de preken van Van der Groe. Voor deze ”heer van Kralingen” moest je gaan zitten; twee volzinnen op een hele bladzijde. Ik genoot ervan, maar soms was hij wel te.”

Te? „Tsja, hij verloor zich soms een beetje in de bevindelijkheid. Daarover las ik weer in de correspondentie tussen Jacob Groenewegen en Adriaan van der Willigen over Van der Groes ”Beschrijving van het opregt en siel-saligend gelove”.

6. Edwards: honger en respect

„Je moet het ook allemaal wat door elkaar lezen; dat is het meest evenwichtig. Neem naast het werk van Van der Groe gewoon de boeken van Jonathan Edwards. Of de beschrijving van diens leven door Iain H. Murray. Lees het allemaal met honger en met respect.

De boekenkast van opoe kwam bij mij terecht. Ik kreeg althans de boeken. Goede lectuur en voor mij een bron van genoegen. Ik kroop door ”De eigenschappen des geloofs” van Alexander Comrie heen. Wat een rijke schatten zijn daaruit op te delven! Ik maakte er een dictaat van en bood dat aan uitgeverij Romijn en Van der Hoff aan. ’t Is nooit verschenen.

Tsja, en dan ben je 92 jaar. Ik heb heel mijn leven gelezen en gestudeerd; ben altijd in de weer geweest. Van veel lezen is geen einde; dat is op mij zeker van toepassing. En wat het heeft opgeleverd? In ieder geval leerde ik zien dat het grote werk dat de Heere God hier op aarde doet, Zijn Kerk geldt. Al het andere is daar dienstbaar aan. Het beetje verstand dat ik nog heb, gebruik ik het liefst om dat godswerk te bestuderen. Daaruit oefening te putten. Loslaten en overgeven, dat is waar het uiteindelijk om gaat. Och, och, och, niets uit ons, alles uit Hem. Zo gaan Gods kinderen naar Jeruzalem. En Dankers? We belijden het wel: Dat ik daarvan een levend lidmaat ben. Zo zegt de belijdenis het. Maar met een glimp van hoop. Van die grote kudde een heel klein schaapje zijn; dan ben ik de ellendigste. Dat ik daar al strompelend komen mag.”

Marinus Dankers

Marinus Dankers werd in 1927 geboren in Hardinxveld. In 1946 trad hij als schrijver in dienst bij de Koninklijke Marine, waar hij opklom tot de functie van adjudant. Na zijn pensioen benoemde de SGP hem tot voorlichtingssecretaris. Dankers trouwde in 1952 met Johanna Stephina Meerkerk. Hun huwelijk werd gezegend met drie kinderen en negen kleinkinderen. In 1989 verongelukte dochter Gerdien Post-Dankers (35) in Haïti; in 1999 stierf schoonzoon Jonas Post (54) aan een hersentumor; in 2007 overleed zijn vrouw in de leeftijd van 87 jaar; in 2011 zijn dochter Margreet (53) na een langdurige ziekte. Dankers verwisselde de marinestad Den Helder voor Rotterdam en woont nu in verzorgingshuis Oorden Staete.

Serie Uit de boekenkast

Mensen uit alle geledingen van de maatschappij vertellen over boeken die invloed hebben gehad op hun leven.