Lotharingia, de rijkdom van een 
tussengebied

Prüm maakt aanspraak op een plaatsje in de wereldgeschiedenis vanwege de –zo goed en zo kwaad als het ging herstelde, maar nog altijd stoffige en beschadigde– abdijkerk. beeld Wikimedia
2

Enkele lentes geleden bivakkeerden we als gezin in de Eifel, dicht bij Prüm. Het ongelukkige stadje werd drie keer zwaar getroffen. Tijdens de laatste wereldoorlog waren er niet alleen de bekende bombardementen, het lag ook nog eens in de vuurlinie van het Ardennenoffensief.

Tot overmaat van ramp ontplofte in 1949 het depot waarin springstof uit de oorlog lag opgeslagen. Een krater in de Kalvarienberg vormt de blijvende herinnering, de herbouw kon opnieuw beginnen.

Dat Prüm in de Franse zone lag, de meest spartaanse van de geallieerde bezettingsregimes, is niet alleen aan die onnodige krater maar ook aan de sobere herbouw af te lezen. Hier geen hulp van buitenaf, maar enkel met schaarse lokale middelen. Heel anders dus dan de Amerikaanse bezettingszone: nog geen tien jaar na de oorlog was het eveneens ernstig getroffen München met Amerikaanse steun zo grondig hersteld dat weinig toeristen sindsdien iets hebben bevroed. Prüm daarentegen onderging het lot dat dichterbij ook steden trof als Kleef en Emmerich (voor de oorlog zoiets als Zutphen) en sowieso de meeste steden in de westelijke helft van Duitsland.

Waarom Prüm? Het stadje maakt aanspraak op een plaatsje in de wereldgeschiedenis vanwege de –zo goed en zo kwaad als het ging herstelde, maar nog altijd stoffige en beschadigde– abdijkerk. Duizend jaar lang vormde Prüm een van de belangrijkste abdijvorstendommen van het Heilige Roomse Rijk, met bezittingen tot ver in het huidige Frankrijk. Tot Napoleon er een eind aan maakte en de kerk verviel tot lokale parochiekerk. In zijn gloriejaren vormde de abdij, gesticht door de ouders van Karel de Grote, naast Aken het culturele centrum. Het plaatselijke verhaal wil dat Karel de Grote zelf hier opgroeide (nu herbergen de kloostergebouwen een middelbare school).

Graf van Lotharius

Een tweede reden om de kerk te bezichtigen is het graf van Lotharius I, Karels kleinzoon. We kennen hem van het befaamde Verdrag van Verdun (843), toen hij het rijk deelde met zijn broers. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser legden vervolgens de fundamenten voor Frankrijk en Duitsland. Lotharius zelf behield het in zijn ogen strategische middendeel, een langgerekte strook van Friesland tot Toscane – en daar begint het verhaal van dit boek. Het vergeten stadje Prüm vormde min of meer de hoofdstad van dit vergeten middenrijk in zijn oorspronkelijke gedaante (niet de Franse regio die de naam Lotharingen heeft geërfd).

Hier zit meteen ook een probleem. Dat schrijver-uitgever Simon Winder in zijn boek wel Prüm noemt en de plaats blijkbaar heeft bezocht, maar deze verhalen nu eens niet met ons deelt, komt doordat hij zich nauwelijks afvraagt wat dit oorspronkelijke Lotharingen precies inhield. Zijn ”Lotharingia” is eerder een verzonnen naam, net als zijn eerdere titels ”Germania” (2010) en ”Danubia” (2013) dat al waren. ”Lotharingia” vormt het sluitstuk van de trilogie, drie boeken waarin hij grote stukken Europa afreist en uitbundig van commentaar voorziet. De culturele en geografische afbakening blijft telkens dun en die van ”Lotharingia” wellicht de dunste van allemaal. De ondertitel wil ons doen geloven dat we hier van doen hebben met ”Europa’s Grote Breuklijn”, maar allicht is dat een praatje van de uitgever, de auteur zelf gebruikt andere woorden.

In zijn inleiding beschrijft hij Lotharingia als de regio tussen ons rivierengebied en de Zwitserse bergen. Zijn echte punt, al lijkt hij het zelf vaak vergeten, is het idee van een tussengebied, tussen de historische grootmachten Frankrijk en Duitsland. Maar wel een tussengebied dat politiek en cultureel vaak zelfstandig opereert, zoals die zelfstandigheid tegenwoordig blijkt uit het bestaan van Zwitserland en de Benelux. Niet toevallig –merkt Winder dan weer op– vind je hier de hoofdsteden van de naoorlogse Europese samenwerking (Straatsburg, Luxemburg en Brussel).

Zwakke buren

Daar valt wat voor te zeggen. Mooie momenten in het boek zijn observaties als dat de handelssteden Amsterdam en Bern vrijwel gelijktijdig zijn ontstaan, net buiten het bereik van de grote machten. Een later bewijs vormen de twee unieke republieken Nederland en Zwitserland, beide ook in 1648 formeel losgekoppeld van het keizerrijk (Heilige Roomse Rijk, HRR). Een andere uitkomst is een veelkleurige lappendeken van rooms-katholieken, lutheranen en gereformeerden – Winder heeft er oog voor, maar zijn religiegeschiedenis blijft beperkt tot het anekdotische.

Ondanks Verdun 843 raakten al deze tussengebieden onder de paraplu van het befaamde keizerrijk (HRR) en werden hun lotgevallen bepaald door de wisselende mate waarin dit werd aangestuurd. Het succes van Bourgondië –ook al zo’n naam die praktisch de hele regio omvat– was te danken aan de zwakte van beide grote buren. Daarna wint vooral het Franse centralisme aan macht en invloed, van de Lodewijken en Napoleons tot in de oorlogen van de afgelopen eeuw.

Bekend is de Franse inlijving van voormalige HRR-domeinen als de Elzas, maar eerder al overkwam dat Lotharingen en de Franche-Comté. Zelfs de Duitse Rijnlanden kregen met de Fransen van doen, maar hetzelfde geldt natuurlijk voor onze Lage Landen. Wat betreft de Zuidelijke Nederlanden bijvoorbeeld, hamert Winder op de breuklijn die telkens opspeelt tussen Vlaanderen en Brabant, ofwel het centralistische Franse koninkrijk versus het steeds lossere keizerrijk.

Hemelbed

Bij al zijn reisobservaties –het leeuwendeel van de verhalen– heeft hij vooral oog voor de ruimte die juist dit tussengebied bood. Niet voor niets ligt hier tot de dag van vandaag een van de meest welvarende regio’s op aarde. Veel van Winders verhalen gaan over de onverwachte kansen die er lagen voor de Republiek, maar ook voor Baden, of Neuchâtel, het enige vorstendom dat zich als kanton aansloot bij de Zwitserse federatie. Eerder al gold iets soortgelijks voor de bisdommen Utrecht, Keulen en Luik, die zich in dit tussengebied konden nestelen dankzij het Concordaat van Worms (1122, tussen keizer en paus). Al die historische observaties en reisverhalen samen vormen het boek, dat in globaal chronologische volgorde voortraast zonder zich veel om onderliggende thesen of samenhang te bekommeren.

Die associatieve opbouw oogt charmant, maar vormt ook de zwakte. Winder houdt oprecht van Hollandse steden als Dordrecht en Delft, maar via Leiden raken we zomaar verzeild bij het eilandje Desjima, de Nederlands-Japanse contacten en de wonderlijke geleerde Siebold. Om vijf pagina’s verder pardoes weer te worden meegenomen in een beschouwing over de revolutionairen van Baden. Zelfs voor een reisboek is het verband vaak ver te zoeken.

Wat blijft zijn mooie observaties. Dat keizer Wilhelm II bij zijn vlucht in 1918 in Kasteel Amerongen het hemelbed krijgt toegewezen waarin ooit Lodewijk XIV al had overnacht, is een beeld dat blijft hangen (en mij ter plaatse was ontgaan). Dat uitgesproken rooms-katholieke gebieden als het Rijnland en Wallonië vooroplopen qua kapitalisme, ondanks de Weberthese, geeft inderdaad te denken. Dat Otto von Habsburg (1912-2011) tot in onze eeuw bleef terugkeren naar Nancy, het oude Nanzig van de hertogen van Lotharingen, al evenzo.

Het boek is een feest van herkenning voor wie iets van al die grensgebieden heeft meegekregen en beelden heeft bij Metz of Haut-Koenigsbourg, Het prikkelt tot verder reizen en verder lezen – het liefst in wat strakker omlijnde lectuur, zoals het al even nieuwe en sprankelende ”De Bourgondiërs” van Vlaming Bart Van Loo over dezelfde regio, maar dan toch meer historisch.

Boekgegevens

Lotharingia. Een persoonlijke geschiedenis van Europa’s Grote Breuklijn van de Lage Landen tot aan het Juragebergte, Simon Winder; uitg. Unieboek/Het Spectrum; 504 blz.; € 34,99.