Lezen en knikkeren, het kan allebei met het prentenboek van de Kinderboekenweek

Het was een gewaagd idee, maar het pakte voor illustrator Martijn van der Linden en schrijver Maranke Rinck goed uit: prentenboeken maken over een spelletje. Het duo –de twee zijn ook in het dagelijks leven partners– begon in 2015 met ”Memorykonijn”. Daarin zoekt konijn, in feite een omgedraaid memorykaartje, het andere konijn. Een jaar later volgde ”Tangramkat”, waarbij alle illustraties bestaan uit zeven puzzelstukken, zoals bij het klassieke spel tangram.

”Knikkeruil”, dat voor een aantrekkelijke prijs verschijnt ter ere van de Kinderboekenweek, is de derde in de reeks. Een summiere maar doeltreffende tekst, veel wit op de pagina’s en strakke, kunstzinnige prenten vormen inmiddels het handelsmerk van de serie.

Hoofdfiguur is Uil, een nieuwe knikker. Iedereen is blij met hem, want, schrijft Rinck in heuse knikkertaal: „Een Uiltje hadden ze nog niet.” Wel knikkers met namen als Disco (wit met gekleurde spikkels) en Olie (blauw met groen en olieachtig bruin), enorm herkenbaar afgebeeld – maar dan mét ogen en pootjes. Ze vragen of Uiltje met hen wil spelen. Uiltje wil wel: „Ja. (...) Met júllie wel, maar... wie zijn dat?” Zes enorme monsters, zo blijkt op de pagina erna. De knikkers weten niet hoe snel ze zich moeten verstoppen. Maar waar? In de knikkerbaan rollen ze weer naar beneden. Het knikkerpotje is te hoog voor Uil – en ze willen hem niet in de steek laten. Uiteindelijk vinden ze een schuilplaats bij de poortjes en zijn de monsters verdwenen. Nou ja, dat dénken de knikkers, maar de lezer ziet wel beter.

Met dit zorgvuldig uitgewerkte prentenboek –met uitklapbare knikkerpoortjes én een zakje knikkers– valt veel plezier te beleven. En er klinken ook nog wijze levenslessen voor jonge kinderen in door. Dat bang zijn lang niet altijd nodig is, bijvoorbeeld.

Boekgegevens

Knikkeruil, Maranke Rinck en Martijn van der Linden;

uitg. Lemniscaat i.s.m. Stichting CPNB, Amsterdam, 2017; ISBN 978 9059 65 430 3; 32 blz.; € 13,45.