Kroniekschrijver van de gereformeerden

Piet Risseeuw beschikte over de gave mensen te observeren. Dat blijkt uit zijn romans, dat blijkt ook uit de stimulerende rol die hij in de christelijke schrijverswereld speelde. Hij kende iedereen, had oog voor ontluikend talent, stimuleerde beginnende schrijvers zonder zijn hoge idealen te verloochenen. Halverwege de twintigste eeuw was Risseeuw de spin in het web van de christelijke literatuur. Daarom is de laatste aflevering in deze serie aan hem gewijd.

Toen Piet Risseeuw in de jaren veertig zat te werken aan zijn romanreeks ”Landverhuizers”, dreigde hij in het materiaal te verdrinken. Om het hoofd boven water te houden had hij op een strookje papier een advies geschreven van zijn vriend Kees Rijnsdorp: ”Klem je vast aan de mensen.” Hij redde het. Ik heb die romans twee keer gelezen, het is jaren geleden, maar moeiteloos herinner ik me mensen: Arjaan Keppel die met de Rijnboot in Arnhem aankomt; de jonge weduwnaar met kinderen die hartstochtelijk een nieuwe vrouw zoekt; de mondaine mevrouw Scholte die een villa verwacht en ongehakte boomstammen in een woud aangeboden krijgt. Risseeuw schreef later twee romans over het kerkelijk leven van de twintigste eeuw, ”Gasten en vreemdelingen” en ”Kinderen en erfgenamen”. Ik heb ze drie keer gelezen en bij het doorbladeren krijg ik trek in de vierde keer, want ik merk weer hoe slim en functioneel Risseeuw als romanschrijver mensen bekleedde met historie. Ze staan opeens weer helder voor me: de kleine Hugo die in het zondagse Scheveningen ”trammen vol zondaren” langs ziet komen, de letterkundige Homan met zijn grote oren, het kantoor van Marjan in de jaren dertig stampvol ratelende schrijfmachines, de zus van Stans die snel haar benen over elkaar gooit en dan bliksemt het even. Risseeuw stopte zijn romans vol visuele menselijke actie.

Dubbelleven

Pieter Johannes Risseeuw werd op 16 mei 1901 geboren in Den Haag. Zijn Zeeuwse ouders kwamen uit hardwerkende en sober levende gereformeerde gezinnen, ”kleine luyden”. Piet was drie toen zijn vader stierf. Om met haar zeven kinderen te kunnen leven, opende zijn moeder in Scheveningen een pension. De kleine Piet kreeg daar alle gelegenheid mensen te observeren. Hij heeft dat pensionbestaan mooi beschreven in ”Gasten en vreemdelingen”. Maatschappelijk koos Risseeuw voor een dubbelleven: overdag op De Twentsche Bank, ’s avonds in de literatuur. Op zijn 27e verjaardag trouwde hij met Jannie Passchier. Ze lieten hun huis aan de Haagse Lombokstraat inrichten door Cor Alons, een bevriende binnenhuisarchitect die de Nieuwe Zakelijkheid van Rietveld aanhing. Het interieur viel alle bezoekers op: strakke meubels van lichtgekleurd hout, op de vloer biezen matten, de tafel in het mathematische midden van de kamer. Er waren toen al twee romans van Piet verschenen, onder het pseudoniem Joh. P. Ruys. Piet Risseeuw is behalve bankman en schrijver ook altijd organisator geweest. Hij vond dat christelijke literatuur vanuit een centraal punt gestimuleerd moest worden, wilde ze overlevingskansen hebben. Als jongen van vijftien al had hij in Scheveningen voor een literaire kring een blaadje opgericht, dat vanaf 1919 Opgang heette. In 1923 ging het op in Opwaartsche Wegen. Tussen 1924 en 1933 stelde Risseeuw voor uitgeverij Callenbach negen ”Kerstboeken” samen, waarin hij een doorsnee gaf van de christelijke literatuur. Hij hanteerde de literaire norm soepel. Hij heeft zijn achterban ook altijd willen bedienen met werk van halfliteraire volksvertellers. Naast De Mérode en Rijnsdorp liet hij zwakkere medewerkers toe als Van Hoogstraten-Schoch, Wapenaar en Heynis.

Christelijke auteurs

Ook als redacteur van het volksblad De Spiegel (1928-1930) had Risseeuw een goede literaire invloed. Hij nam, naast verhalen van Nellie van Dijk-Has en Gera Kraan-van den Burg, literair werk op van Rijnsdorp en vooral van Van Eerbeek (M. van Kempen). Voor De Spiegel interviewde hij een reeks christelijke auteurs, stukken die gebundeld werden in ”Christelijke Schrijvers van dezen tijd” (1930). Voorzichtig maar duidelijk kritiseerde hij daarin de zwakke roman. Over Van Hoogstraten-Schoch bijvoorbeeld schreef hij: ”Zij moraliseert in romanvorm. Dat zij naast haar journalistieke werk ook romans schrijft en blijkbaar met veel ambitie, dat kunnen wij toejuichen of betreuren, maar het is nu eenmaal een feit.” In 1931 stapte Risseeuw over naar het christelijk dagblad De Rotterdammer. Graag promootte hij daar christelijke auteurs. Hij prees Van Eerbeek, Rijnsdorp, Rie van Rossum. Kritisch bleef hij tegenover de romanschrijver die ”gewend is met grove middelen bij de goegemeente een tranenregen te verwekken.” Risseeuws belangrijkste roman vóór de Tweede Wereldoorlog heet ”Is het mijn schuld?” (1937), een sociale en daardoor kritische roman. Hij nam het zijn gereformeerde kerk kwalijk dat die niet goed reageerde op de werkloosheid in de crisistijd. De gereformeerde reacties op de roman van Risseeuw waren moralistisch, tot in de kerkelijke vergaderingen toe. In het ”Liber amicorum” bij Risseeuws zestigste verjaardag kwamen vrienden er nog op terug: ”De synodale ’hetze’ na ”Is het mijn schuld?” ontketend, heeft jou -èn ons- bedroefd. Wat ’n vuile critiek!” schreef Jan de Die. Maar er werden ook positieve uitspraken geciteerd. Dominee S. J. Popma had geschreven: ”Het is alles even echt en waar.”

Kroniekschrijver

Na de Tweede Wereldoorlog nam Risseeuw (samen met zijn vrienden Rijnsdorp en Van der Stoep) het initiatief een nieuwe christelijke auteurskring op te richten en ook een nieuw blad, Ontmoeting. Het wilde én christelijk zijn én open naar buiten. Maar veel meer concentreerde Risseeuw zich na de oorlog op het schrijven van romans. In de jaren dertig had zijn stijl stee ds meer de soberheid van zijn meubilair aangenomen. Het lezen van Bordewijks ”Knorrende beesten” gaf hem een groeischok. De oorlog had hij gebruikt om zich uitvoerig te documenteren over de gereformeerde emigranten na 1834. Hij werkte tien jaar aan de emigratietrilogie ”Vrijheid en brood”, ”De huilende wildernis” en ”Ik worstel en ontkom”, later in één band herdrukt als ”Landverhuizers”. Zijn moeder, die in de oorlog al heel oud was, vertelde hem veel over haar piëtistische jeugd onder de Zeeuwse gereformeerden en dat verwerkte hij bijna letterlijk in deze romans. Haar portret, geschilderd door Roeland Koning, hing als blijk van liefde in zijn studeerkamer. De romans werden niet alleen bestsellers, maar kregen ook lof van historici. Risseeuw werd benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en kreeg reisbeurzen van de regering om andere immigratiegebieden te bezoeken en daarover informatieve boeken te schrijven. In ”Gasten en vreemdelingen” (1960) en ”Kinderen en erfgenamen” (1964) was Risseeuw opnieuw op z’n best als romanschrijvende chroniqueur van het gereformeerde leven. Ertussendoor schreef hij ”Weekend in de Archipel” (1954). Rijnsdorp noemde dit ”het alleraardigste boek doorweven met oorlogsherinneringen”, maar het is veel meer, het is een typisch naoorlogse peiling, een roman over de ontworteling van mensen. ”Anneke Jans” (1958) is weer een historische roman, over Hollanders in de zeventiende eeuw in New York. Voor ”De glazen stad” (1966) reisde Risseeuw met een vrachtwagen naar Denemarken om de export vanuit het Westland te leren kennen. Eigenlijk heeft hij met ”De glazen stad” zijn romanoeuvre afgesloten, maar hij werkte toen hij ernstig ziek werd nog aan een roman over prins Johan Maurits van Nassau in de zeventiende eeuw in Brazilië. De schrijfster Jacoba M. Vreugdenhil schreef op basis van Risseeuws materiaal de laatste hoofdstukken. Het verscheen onder de titel ”Donja Saskia en haar prins” (1975), maar het is geen sterke roman. Risseeuw was als schrij ver in zijn nadagen gekomen.

Houten stoel

Veertien romans, zes documentaire boeken, ook nog zes kinderboeken, het is een respectabel oeuvre van een goede kwaliteit. De literatuurgeschiedenis zal Risseeuw geen groot schrijver noemen. Hij was niet vernieuwend. Maar binnen de uit overtuiging gekozen kaders van de christelijke literatuur was hij belangrijk. Hij combineerde organisatiedrift en stimuleringsdrang met de kunst gemakkelijk te communiceren en het talent goede, inhoudrijke romans te schrijven die hun leesbaarheid in de eenentwintigste eeuw niet verloren hebben. Hij moet gewerkt hebben als een paard, terwijl zijn niet sterke gezondheid hem excuses genoeg had kunnen geven om na kantoortijd te luieren. Ook voor medeauteurs was Risseeuw van groot belang. Hij stimuleerde aankomend talent (Anne de Vries, Rie van Rossum, Marianne Colijn, J. K. van Eerbeek, Bé Nijenhuis enzovoort), keurde toegezonden werk, bemiddelde tussen schrijvers en uitgevers, kortom: hij was een ”nauwlettend waarnemer -observator en promotor- voor de christelijke letterkunde en haar belangen” (Jaap Das). Ik heb Risseeuw één keer ontmoet. Vlak voor Kerst 1965 tramde ik naar zijn laatste adres in Den Haag, Pinksterbloemplein 43, om zijn brieven van Willem de Mérode te halen. Hij was toen 63 jaar. Hij zat in zijn studeerkamer in de strakke luie houten stoel die Cor Alons voor hem gemaakt had en hij wees me met voldoening de rij Kerstboeken. Daarna zag ik hem nog een keer, op Goede Vrijdag 1967, zwijgend naast dominee Buskes bij de begrafenis van Wilma Vermaat in Beekbergen. Risseeuw overleed op 11 juni 1968, 67 jaar oud. De begrafenis was op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan in Den Haag. In Amsterdam in het Historisch Documentatiecentrum van het Protestantisme wordt zijn archief bewaard, met al die honderden brieven van auteurs die hem nooit tevergeefs om advies vroegen. Over bijna vergeten christelijke schrijvers uit de vorige eeuw. Het 14e en laatste deel: P. J. Risseeuw Kader Pieter Johannes Risseeuw (16 mei 1901-11 juni 1968) was en bleef een Hagenaar. Hij debuteerde in 1924 onder de naam Joh. P. Ruys met de roman ”Brave zonen hunner jeugd”. In 1937 verscheen zijn crisisroman ”Is het mijn schuld?”. Belangrijke kerkhistorische romans zijn ”Vrijheid en brood” (1947), ”De huilende wildernis” (1947), ”Ik worstel en ontkom” (1951), ”Gasten en vreemdelingen” (1960) en ”Kinderen en erfgenamen” (1964). In ”Weekend in de Archipel” (1954) reageerde hij op de naoorlogse ontworteling. In het essay ”Klem je vast aan de mensen” (Liter nr. 17, mei 2001) gaat Hans Werkman dieper in op leven en werk van P. J. Risseeuw.