Kinderboekenauteur Anna Woltz: „Mijn boeken líjken simpel”

We mogen kinderen én kinderboeken wel wat meer waarderen en in hun waarde laten, vindt Anna Woltz, auteur van het Kinderboekenweekgeschenk. „Iedereen neemt literatuur toch ook volstrekt serieus, daar doen alle slechte boeken niets aan af. Waarom zou dat bij kinderboeken anders zijn?”

Als kinderboekenauteur Anna Woltz een doorgesneden appel ziet, moet ze altijd aan een navel denken. Althans, sinds haar 2-jarige zoon Benjamin het klokhuis zo noemt.

„Ik vind dat een mooie associatie”, zegt Woltz in de woonkamer van haar Utrechtse jarendertigrijtjeswoning. „Want uit zo’n appelklokhuis gaat ook nieuw leven ontstaan.”

Taalontwikkeling is zó fascinerend, merkt de 37-jarige auteur. „Ik blijf het raar vinden dat praten over kinderen snel vrouwengepraat heet. Een kind kan je echt nieuwe inzichten geven, als je bereid bent goed te kijken en te luisteren.” Juist door Benjamin ziet ze hoe belangrijk het is om kinderen serieus te nemen, iets wat ze ook in haar boeken doet.

Woltz kiest haar woorden weloverwogen, rustig. Het liefst zou ze net zo zorgvuldig praten als ze schrijft. En dat laatste doet ze tot in de details blijkt uit haar boeken en ook uit het Kinderboekenweekgeschenk dat ze dit jaar schreef: ”Haaientanden”.Benjamin is vandaag naar het kinderdagverblijf. Drie dagen in de week, om en om, is hij weg, de andere dagen is zijn moeder thuis bij hem. Al zou Woltz dat nooit zo zeggen. Hij en zij delen hun leven – zo ziet ze dat. En elke dag beginnen ze met een beker melk en met uitgebreid voorlezen.

In 2016 verscheen ”Alaska”. Toen was het stil tot dit jaar prentenboek ”Naar de wolven” verscheen. Alle tijd ging op aan Benjamin?

„Ik ben single moeder, dat maakt mijn tijd extra beperkt. Al heel lang wilde ik dolgraag een kind. Ik heb er serieus over nagedacht hoe – tot Benjamin me overkwam. Toen hij werd geboren, had ik net vier succesvolle boeken geschreven. Die boeken werden vertaald in veel landen en er kwamen verfilmingen. Dat gaf mij ruimte om verlof te nemen. Toen Benjamin vijftien dagen oud was, kreeg ik een Zilveren Griffel voor ”Alaska”. Ik kon het niet laten een foto van hem te maken, met de Griffel erbij. Hij lag met zijn armpjes omhoog te slapen, zoals een baby’tje dat doet, alsof hij aan het juichen was.”

Lievelingsschrijver

Woltz’ boeken krijgen veel lof over zich heen. Ze schaaft net zo lang tot er niets staat dat er niet hoort. Dat merken ook vakjury’s op. Naast de Zilveren Griffel voor ”Alaska”, een boek over onder andere een epileptische jongen, kreeg ”Gips”, dat zich bijna helemaal in een ziekenhuis afspeelt, eerder al een Gouden Griffel.

Het mooie is dat tegelijk ook kinderen haar boeken waarderen. Ze zijn doordacht en mooi geschreven, maar niet ingewikkeld. En grappig. „Je bent mijn lievelingsschrijver”, staat er in mailtjes die ze krijgt. Of kinderen schieten haar tijdens een schoolbezoek aan en zeggen: „Ik las nooit – tot ik uw boeken zag.”

Dat is precies wat ze graag ziet, vertelt de schrijfster, die in Den Haag opgroeide. „De boeken die ik het allerliefst schrijf zijn boeken die kinderen én volwassenen mooi vinden. Het is fantastisch dat dat kan samengaan.”

Het Kinderboekenweekgeschenk was een uitgelezen kans om dat te laten zien?

„Ik zorg altijd voor een spannend avontuur in een boek. Een geheim dat wordt ontrafeld. Als lezer merk je dat er dingen aan de hand zijn. Welke, dat kom je pas later te weten. Tegelijk heb ik veel aandacht voor taal, voor personages, voor de opbouw. Met ”Haaientanden” wil ik graag laten zien wat mogelijk is.

Van het Kinderboekenweekgeschenk worden meer dan 300.000 exemplaren gedrukt. Heel gek vind ik dat: nooit in mijn leven zal een zin van mij zo vaak worden gelezen als de zinnen in dit boek. Hoe goed je boek ook verkoopt, dit haal je nooit.”

Spannend?

„Ja, maar veel spannender was dat dit het eerste boek na de geboorte van mijn zoon was. Ik was juist voorzichtig begonnen met research voor een nieuw boek, maar het ging niet snel. Nu móest ik de drempel over. Dat was goed.”

Door de knieën gaan voor de lezer – dat wilt u niet. Maar u schrijft wel heel leesbare boeken. Hoe kan dat?

„Toen ik ”Haaientanden” schreef wás ik Atlanta van 11. Als je je zo totaal inleeft, heb je geen behoefte dingen te beschrijven die buiten de belevingswereld vallen. Voor mij werkt dat heel goed: te spannend schrijven, of teveel geweld gebruiken, dat komt dan niet eens in mij op.

Het geeft me ook veel vrijheid. Een volwassene weet dat een kind niet in 24 uur rond het IJsselmeer kan fietsen, wat Atlanta wil. Maar zij berekent: als ik 15 kilometer per uur fiets en ’s nachts doorga, red ik het. Dat kinderperspectief heb ik nooit verloren.

Nu is er ook het moederperspectief bij. Atlanta en Finley zijn op een bepaald moment helemaal uitgeput. De moeder in mij wil ze absoluut een warm bedje geven. Maar nee, dacht ik, ze moeten kou lijden. Ontberingen zijn nu eenmaal veel leuker in een boek.”

Hoe maak je van een boek een echt goed boek?

„Ik probeer te laten líjken dat mijn boeken simpel zijn. Wat ik doe is alles steeds eenvoudiger opschrijven, zonder de nuance te verliezen. Ik probeer ook vrij dicht bij spreektaal te zitten. Soms smokkel ik. Mijn hoofdpersonen zijn grappiger en wijzer dan een doorsnee kind.

In mijn eerste boeken lette ik nauwelijks op taal. Nu probeer op elke bladzijde wel iets bijzonder te formuleren. Of ik realiseer me: hier moet een hoofdpersoon nog een grapje maken.”

U bent heel bewust bezig met taal. Toch belandde u met ”Alaska” op de kinderboekenlijst van de Bond tegen Vloeken.

Met een ontwapenende lach: „Ik wist eigenlijk heel lang niet dat er nog mensen waren die geloofden. Dan zie je hoe beperkt je blik kan zijn. Ik las altijd al veel, en houd erg van oude boeken, van rond 1900. Daarin was het bestaan van God gewoon, maar ik ging er vanuit dat het bij die periode hoorde. Later ontdekte ik dat een vloek mensen pijn kan doen. Ik had daar oprecht niet bij stilgestaan.

Een echte vloek gebruik ik nu niet meer. Maar op de een of andere manier is de naam van God voor mij iets heel krachtigs, hoewel ik nogal sterk atheïstisch ben opgevoed. Als kind dacht ik soms wel: stel dat God er toch is... Ik heb maandenlang in bed een gebed opgezegd. Ik dacht: misschien hebben mijn ouders het fout. Mijn hoofdpersonen zitten in diezelfde periode. Ze denken er soms ook over na.”

Braaf meisje

Woltz houdt even in. „Ik ben eigenlijk een braaf meisje. Ik scheld absoluut nooit met ziektes of geslachtsdelen, dat vind ik belachelijk. In ”Honderd uur nacht” (over de orkaan Sandy, voor 12-plussers, MO) deed ik het anders. Daar wilde ik een typisch Amerikaanse jongen schetsen, zoals we die kennen uit films – ook qua woordkeus. Halverwege het boek is er een gesprek over zijn taalgebruik. De hoofdpersonen hebben er commentaar op. Daarna past hij zijn taal aan.”

Kinderboeken en kinderboekenschrijvers worden te weinig gewaardeerd, vindt u. Frustreert u dat?

„Mij persoonlijk niet. Ik ben ongelooflijk blij hoe het gaat, ik voel me niet miskend.

Wat ik wel vreemd vind is dat alles rond kinderboeken minder serieus wordt genomen. Onder het boekenaanbod voor volwassenen is ook heel veel pulp. Maar iedereen neemt literatuur volstrekt serieus, daar doen alle slechte boeken niets aan af. Waarom zou dat bij kinderboeken anders zijn?

Wat ik ook gek vind is dat mensen de avonturen van kinderen snel afdoen als ‘kinderachtig’, alsof ze niet ter zake doen. Maar in talkshows en interviews gaat een groot deel vaak over de kindertijd van de geïnterviewde. En als een volwassene over zijn kindertijd vertelt, vindt iedereen dat ongelooflijk bepalend voor je leven.”

Uw boeken sprankelen, meer dan veel andere boeken. Heeft Anna een originele geest?

„In mijn boeken ben ik een stuk origineler dan gewoon. In een normale conversatie is het de bedoeling dat ik ergens meteen een antwoord op geef. Ik heb het gevoel dat ik dan ga hakkelen. Omdat ik steeds betere formuleringen zoek.

Als ik schrijf ga ik net zo lang door tot het het beste boek is dat ik dan kan schrijven. Dat is ook wel fijn: hoe vaak in je leven heb je de gelegenheid iets te maken waarvan je kunt zeggen: dit is het allerbeste wat ik kan?”

Cherrytomaatjes

Woltz kijkt naar het raam dat uitkijkt op haar stadstuin. Dicht langs het glas groeien cherrytomaatjes, en ook de vruchten van de druif zijn vanuit huis te zien. „De tuin, daar zou ik eigenlijk nog wel iets meer mee willen doen. Zoals die nu is heb ik hem geërfd toen ik het huis kocht. Ik heb er gewoon geen tijd voor. Ik vind het fantastisch om ergens dan wél het best mogelijke te doen: dat geeft enorm veel voldoening.”

----

Anna Woltz

Anna Woltz (1981) schrijft sinds haar kinderjaren. Op haar vijftiende leverde ze wekelijks een column voor De Volkskrant, over het schoolleven. In 2002 verscheen haar eerste kinderboek.

Anna werd geboren in Londen en groeide op in Den Haag. Haar vader werkte als journalist bij NRC Handelsblad, in de jaren tachtig als hoofdredacteur. Haar moeder schreef –samen met de moeder van kinderboekenschrijver Gideon Samson– drie kinderboeken onder de naam Abbing en Van Cleeff.

Woltz studeerde geschiedenis in Leiden en is nu fulltime schrijver, naast de zorg voor zoon Benjamin. Met haar veelgeprezen boeken ”Mijn bijzonder rare week met Tess”, ”Gips”, ”Honderd uur nacht” en ”Alaska” brak ze door. Haar boeken zijn in negentien landen vertaald.

Dit jaar verscheen haar eerste prentenboek ”Naar de wolven”, waarin Benjamin en het hondje van haar ouders („Fabeltje”) een rol spelen.

Woltz is de auteur van het Kinderboekenweekgeschenk ”Haaientanden” dat iedereen tijdens de Kinderboekenweek cadeau krijgt bij aankoop van minimaal 10 euro aan kinderboeken.