Kevers, vlinders en andere opgezette beesten

boekomslag. beeld Uitgeverij Matrijs

Wie is er nu blij met een dode mus? Conservator Kees Moeliker van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam wreef in zijn handen toen hij de neergeschoten ‘dominomus’ op de kop kon tikken. Het beestje had de dominowedstrijd in Leeuwarden in 2005 in de war geschopt door alvast wat steentjes om te gooien.

Met een schepnet of een buks door het veld trekken om trofeeën te verzamelen, doet eigenlijk niemand meer, laat Moeliker weten in het kleurrijke boek ”Natuurschatten”. Nu wachten conservatoren op een telefoontje, zoals: „Vader is dood, kom alsjeblieft die vieze opgezette beesten uit de kelder halen”, schrijft Fred de Ruiter.

Dat was ooit anders. Rijke kooplieden, artsen of apothekers legden rariteitenkabinetten aan, en verzamelden laden vol met bijzondere torretjes, vlinders of vogeltjes. Voor de heb of voor de wetenschap. Ze vormen de basis van de collectie van tal van natuurhistorische musea vandaag de dag.

De Ruiter stelt in zijn boek alle natuurhistorische musea in Nederland aan de orde. Behalve Teylers Museum in Haarlem ook de drie universiteitsmusea –van Utrecht, Groningen en Delft– en de negentien regionale musea, waar regelrechte pareltjes tussen zitten. De topper is natuurlijk Naturalis Biodiversity Center in Leiden, dat vorig jaar compleet werd vernieuwd. Het boek nodigt uit om de verzamelingen opgezette beesten eens met eigen ogen te gaan bekijken.

Boekgegevens

Natuurschatten. Natuurhistorische collecties in Nederlandse musea, Fred de Ruiter; uitg. Matrijs; 224 blz.; € 24,95