Journalistieke reis door het evolutiedebat

Charles Darwin op een foto uit 1868. Volgens wetenschapsjournalist Tom Bethell is het darwinisme geen toetsbare wetenschappelijke theorie is, maar een metafysisch onderzoeksprogramma. beeld Wikipedia
2

”Darwins kaartenhuis” is een lange polemiek tegen het cruciale mechanisme van Darwins evolutietheorie, namelijk natuurlijke selectie. Auteur Tom Bethell trakteert ons op een rijkdom aan citaten en anekdotes.

Dat maakt het boek prettig leesbaar, maar het overtuigt niet. Het alternatief voor evolutie, namelijk intelligent ontwerp (intelligent design, afgekort ID), wordt onderbelicht. Als je een boek schrijft van ruim 300 bladzijden, moet je toch de ruimte kunnen vinden om naast de overvloedige evolutiekritiek ook het alternatief goed uit te leggen? Weliswaar wijdt wetenschapsjournalist Bethell een hoofdstuk aan ID (en op zich is dat geen onaardig overzicht: zelfs William Dembski’s ondergewaardeerde verklaringsfilter komt aan bod), maar 16 bladzijden op een totaal van 300 is te mager.

Bovendien is het overzicht weinig kritisch, terwijl ID ook vatbaar is voor een van Bethells voornaamste kritiekpunten op Darwins evolutiemechanisme. Bethell refereert nadrukkelijk aan Karl Poppers kritiek dat het darwinisme geen toetsbare wetenschappelijke theorie is maar een metafysisch onderzoeksprogramma (blz. 15, een aspect dat ook wordt aangehaald in het voorwoord), dat zo’n theorie nooit gefalsificeerd kan worden (blz. 70) en dat de onweerlegbaarheid van zo’n theorie geen deugd is maar juist een manco (blz. 232).

Diezelfde kritiek kan echter ook tegen ID ingebracht worden en daar zegt Bethell niets over. Dat betekent overigens beslist niet dat ID niet waar zou kunnen zijn (ik ben ervan overtuigd dat ID op het goede spoor zit), maar het maakt zowel Darwins evolutiemechanisme als ID in wetenschappelijk opzicht minder robuust – meer filosofie dan wetenschap. Bethells triomfantelijke conclusie dat er „tot nog toe geen intelligent argument tegen intelligent ontwerp gepubliceerd” is (blz. 180), is dan ook te kort door de bocht.

Vissen

Bethell is zwak waar het gaat om de details van het evolutiedebat. Een goed voorbeeld is de geografische verspreiding van soorten (blz. 265-269). Louis Agassiz, biogeograaf en tijdgenoot van Darwin, veronderstelde dat vissen van dezelfde soort die in verschillende, geïsoleerde meren leven, onafhankelijk van elkaar zijn geschapen in die verschillende meren. Darwin verwierp deze veronderstelling, omdat Agassiz een beroep deed op wonderen terwijl migratie van het ene meer naar het andere, op welke manier dan ook, meer voor de hand lag. Bethell erkent dat Agassiz een beroep deed op wonderen, maar vindt Darwins kritiek verdacht omdat hij door het materialisme werd gedreven. Bovendien vindt Bethell het maar raar dat de meeste biologen de kant van Darwin kozen, terwijl Agassiz een hoogleraar van Harvard was en Darwin slechts een amateur die teerde op zijn privévermogen.

Bethell lijkt blind te zijn voor de terechte kritiek op het oude creationisme van Agassiz: je krijgt nooit diepere inzichten, nooit een beter begrip van de wereld om ons heen als je de gaten in onze kennis dicht met een beroep op godswonderen. ID wil juist verre blijven van deze ”God of the gaps”, maar dat lijkt Bethell onvoldoende te beseffen.

Een tweede voorbeeld is de vraag of het bewustzijn (de geest) gereduceerd kan worden tot materie of dat het een oorzaak vindt buiten het materiële (blz. 192-196). In eerste instantie vat Bethell het provocatieve essay ”Hoe is het om een vleermuis te zijn?” van de atheïstische filosoof Thomas Nagel goed samen: als ons verstand simpelweg het toevallige product van een blind proces is, welke reden zouden we dan hebben om materialistische beweringen als waar aan te nemen? Beter nog, Bethell voegt een aantal citaten van C. S. Lewis toe die nog duidelijker maken dat een doelloos universum en materialistische evolutie de bodem wegslaan onder waarheidsvinding en de geloofwaardigheid van ons denken definitief ondermijnen.

Maar dan raakt Bethell op een dwaalspoor. Hij stelt voor om terug te keren naar het dualisme van René Descartes, die van geest en materie gescheiden werelden maakte. Maar de boedelscheiding van Descartes brengt ons geen stap dichter bij het beantwoorden van Nagels vraag. Veel beter zou het zijn geweest om Alvin Plantinga’s uitwerking van het ”Imago Dei”-concept in deze discussie te betrekken, omdat deze christelijke filosoof wel een goed antwoord op Nagels vraag heeft.

Grotere plaatje

Bethell is op zijn best waar het gaat om het grotere plaatje. De rode draad in ”Darwins kaartenhuis” is de link tussen darwinisme en materialisme, en Bethell merkt scherp op dat „het darwinisme niet veel meer [is] dan een ‘huwelijk’ tussen materialisme en Progressie” (blz. 288). Ik deel zijn optimisme over de naderende ondergang van het darwinisme echter niet. Ook al is het idee van progressie op zijn retour, ik vermoed dat darwinisme een hoeksteen van het materialisme (atheïsme) zal blijven. Er is namelijk geen atheïstisch alternatief voorhanden als antwoord op de vraag waar wij (en de andere levensvormen) vandaan komen.

Darwins kaartenhuis. Een journalistieke reis door het evolutiedebat, Tom Bethell; uitg. Labarum Academic; 343 blz.; € 19,95