Jacques van Marken: Sociale ingenieur met een onstuimig leven

Arbeiders aan het werk in de Delftse gist- en spiritusfabriek die Jacques van Marken stichtte. beeld De Ingenieur, 1889

Een van de aartsvaders van het Nederlandse bedrijfsleven. Zo wordt Jacques van Marken, grondlegger van de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek in Delft, genoemd door zijn biograaf Jan van der Mast.

Van der Mast noemt Van Marken ook „de sociale ingenieur.” Want hij was, zoals de ondertitel van de vuistdikke biografie vermeldt, ”de eerste sociaal ondernemer van Nederland”. Hij was ook de eerste Nederlander met een telefoon en de vierde met een auto.

Wie was deze persoon of liever deze persoonlijkheid? Zijn vader was luthers predikant in respectievelijk Woudenberg, Werkendam, Dordrecht en Amsterdam. In Amsterdam, waar hij vanaf 1846 predikant was, trok hij veel hoorders in de lutherse kerk maar ook in de hervormde Westerkerk, waar ook de Oranjes hem graag beluisterden. Hij was „een bekende en geliefde Amsterdammer.”

In het boek wordt overigens niet duidelijk hoe het zit met zijn lutherse en hervormde predikantschap. Want hij wordt in zijn Amsterdamse tijd met name opgevoerd als „een van de dertig Nederlands-hervormde predikanten in de hoofdstad.” Hoe dan ook, zoon Jacques gaf het geloof van zijn vader prijs.

In zijn Delftse studententijd ging hij zich wel bekwamen in de dichtkunst, waarvoor hij te biecht ging bij de dichter Everhardus Potgieter bij hem thuis om de hoek. In de pastorie van zijn vader kwam verder regelmatig een illuster gezelschap bijeen, met naast de vrijzinnige ds. L. S. P. Meijboom en de socialistische voorman F. Domela Nieuwenhuis de populaire dichter J. J. L. ten Kate. Zou Jacques dichter worden of ingenieur? Het werd ingenieur. En hoe! Dichten bleef hij doen. Poëzie als tijdverdrijf!

Behalve de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft, later opgegaan in Calvé Delft, stichtte hij na verloop van tijd ook de Nederlandse Oliefabriek (NOF). De rode draad door het boek vormt zijn sociale instelling, in een tijd van schrijnende tegenstelling tussen ”arbeid en kapitaal”. ”Loon naar verdienste” was zijn uitgangspunt. Ik som even op. Hij vormt een overlegorgaan voor en met zijn personeel, ”De Kern” geheten. Met de directeur aan tafel! Hij regelt een oudedagvoorziening, een spaarkas, een personeelskrant, een ambachtschool, een nieuw salarissysteem, een dividendregeling van 25 procent, een weduwen- en wezenfonds, een ongevallenverzekering en –primeur voor Nederland– de ”Afdeling Belangen van het Personeel”.

Steunpilaar

Zijn sociale inzet kwam vooral tot uitdrukking in de stichting van een woonwijk voor zijn veelal slecht behuisd personeel, het Agnetapark, genoemd naar zijn vrouw Agneta Matthes, die ook een steunpilaar voor zijn bedrijf was. Daar ging hij wonen te midden van zijn mensen. Die vonden het aanvankelijk maar zozo, de directeur op hun lip. Maar ook daar zorgde hij voor allerlei voorzieningen voor zijn personeel, zoals een recreatiegebouw. Een kerkje voor diensten van protestanten en rooms-katholieken bleek voor de kerkleiding van Rome geen optie.

Nu ik zijn vrouw hier ter sprake breng, moet wel een bizarre situatie worden genoemd. Hij maakte al jong een 17-jarig meisje zwanger. Bij haar kreeg hij in totaal zes kinderen. Die buitenechtelijke situatie werd door zijn vrouw, die zelf kinderloos bleef, niet slechts gedoogd, ze legde hem „geen strobreed” in de weg. Zij kwam zelfs met de vriendin van haar echtgenoot tot een akkoord.

Omarmd en verguisd

Vanwege zijn sociale inzet werd Jacques van Marken in den lande, ook in de landelijke pers en in „gematigde vakbondskringen”, op handen gedragen. Echter niet door iedereen. Hij lag onder vuur bij de toenmalige socialisten onder aanvoering van de eerdergenoemde Ferdinand Domela Nieuwenhuis, met wie hij ooit overigens „in der minne” in publiek debat was. In ”Recht voor allen”, orgaan van de Sociaal-Democratische Bond, schreef deze over Van Markens „modelfabriek”: „Modelfabrieken zijn dus onzin, want een fabriek is en blijft het slavenhuis, waarin de arbeider gebruikt wordt om het leeuwenaandeel in de productie af te staan aan het kapitaal. En of men dat huis al opsiert en of men de banden fluweelachtig maakt, het blijven banden, die de zelfstandige mens zullen drukken en allen niet zullen opvoeren tot het menszijn.” Van Marken werd in dat orgaan afgeschilderd als een wolf in schaapskleren en als kwakzalver.

In ”De Nieuwe Gids”, een literair tijdschrift onder redactie van de dichter Willem Kloos, spreekt de Amsterdamse journalist Frank van der Goes van „een man van vals kapitalistisch sentiment.” Hij deelt hem in bij „het grote gilde van welvarende praatjesmakers, die gewiekst maatschappelijke tegenstellingen verbloemen en met veel sentiment kapitalistische deugden en daden bewieroken: spaarzaamheid, vlijt, inspanningen om in de zakenwereld vooruit te komen.” En als Van Marken zich solidair verklaart met een staking onder de arbeiders in Almelo, heet hij in de socialistische pers „een zogenaamde volksvriend.”

Na de dood van Van Marken schreef genoemde Van der Goes in ”Het volk” onder de titel ”Een levensleugen”: „Van Marken, vertegenwoordiger van het kapitaal, was niet de kameraad, maar de uitbuiter van het volk.” Het feit dat zijn arbeiders hem ten grave droegen was voor hem een „bewijs dat hem de leugen van heel zijn leven tot aan de rand van het graf heeft vergezeld.”

Verslaafd

Het levenseinde van deze grootindustrieel was triest. Hij raakte verslaafd aan opium, raakte burn-out en depressief en nam ten slotte „om gezondheidsredenenen” afscheid als directeur van zijn bedrijven. Op 8 januari 1906 is hij overleden. Hij kreeg een „begrafenis als een vorst.” Een stoet van meer dan duizend mensen, met de Harmoniekapel voorop. Bij aankomst op de begraafplaats Jaffa wordt de treurmars van Chopin gespeeld, gevolgd door Psalm 105. En dat terwijl de overledene, als gezegd, het geloof van zijn vader had prijsgegeven.

De Delftse grachten zijn overvol met belangstellenden. Tal van prominenten rondom de groeve. Onder de tonen van gezang 21, ”Alles wat adem heeft looft de Heer”, wordt de kist neergelaten in de groeve. Ook zijn vrouw Agneta voert het woord: „Thans zal ik alleen moeten voortzetten wat wij tezamen begonnen. Ik dank u voor wat gij hebt gedaan.” Daarna „een hartverscheurend snikken.”

Ten slotte een compliment aan de biograaf, Delfts stedenbouwkundige van professie. Hij ontdekte in 2007 een dagboek van Van Marken, dat pas in 2040 openbaar mag worden gemaakt. Hij schreef toen al een roman over Agneta. In de biografie tekent hij „de sociale ingenieur” in de context van zijn tijd, met de opkomst van de socialistische beweging. Uitermate boeiend. Van Marken trok zijn eigen sociale lijn. Na twintig jaar lidmaatschap had hij afscheid genomen van de liberale kiesvereniging ”Burgerplicht”. De „welvoldane burgerij” had, zei hij, het hart niet geopend voor de noden van het volk. Daarmee werd hij eerder een sociaaldemocraat dan een socialist.

Intussen was hij een complexe persoonlijkheid: ingenieur en dichter, echtgenoot en vreemdganger, geniaal en verslaafd. Geen gelovige meer, wel respect voor zijn vader, de predikant. „Hij was een man van liefde, van vrede, van verzoening, en zocht deze te brengen overal waar zij ontbraken: bij rijk en arm, bij jong en oud, bij Jood en Christen, bij gelovigen en ongelovigen”, schreef hij na diens dood in ”De Fabrieksbode”. „Zo is de Gistfabriek ontstaan. Zo hebben wij de bron ons aller welvaart te danken…”

Boekgegevens

Jacques van Marken. De eerste sociaal ondernemer van Nederland, Jan van der Mast; uitg. Nieuw Amsterdam; 654 blz.; € 29,99