Indrukwekkend verhaal over onderduiken in oorlogtijd

Renate Bitterman met het echtpaar Versnel, 1945. beeld RD
2

Alle grond vergaat onder haar voeten, haar leven, en dat van haar man en kinderen hangt aan een zijden draadje – of zelfs dat niet. De joodse Cilla Bitterman uit Amsterdam besluit in de Tweede Wereldoorlog haar gevoel niet te volgen, maar haar kinderen af te staan aan mensen die ze niet kent, de familie Versnel. Zelf duikt ze met haar man Edmund onder om drie bittere jaren te overleven.

Ze zwerven van het ene adres naar het andere, soms zijn ze gewenst, dan weer worden ze als noodzakelijk kwaad gezien; soms zijn ze in de buitenlucht, dan weer verblijven ze in een zompige, koude kelder. En steeds lijden ze honger en kou. Cilla vraagt voortdurend: Waar zijn mijn kinderen? Leven mijn ouders nog? Wanneer zijn wij aan de beurt?

En dan komt de dag dat Cilla weer buiten kan lopen zonder achtervolgd te worden. Als eerste zoekt ze informatie over haar kinderen in de chaos die ze aantreft. Tot haar grote verwondering leven ze allebei nog. Haar zoon Anton herkent hen, maar haar dochter Renate van inmiddels vijf jaar oud is haar totaal vergeten. Renates pleegouders hebben zelf geen kinderen en beschouwen haar als hun eigen dochter. Cilla stelt een langzame gewenningsperiode voor en pakt alles heel tactisch aan. Tot de dag waarop ze als gezin weer verenigd zijn. Tot hun schrik bidt hun dochter het joodse Sjema niet, maar ”Ik ga slapen, ik ben moe”. Lange tijd bidt Renate twee keer voor het slapengaan. Want Cilla blijft het Sjema bidden, ook als ze hoort dat alleen twee broers nog leven.

Cilla pakt het leven weer op, verhuist van Amsterdam naar Londen en praat nauwelijks meer over de oorlog. Niemand vertelt ze dat ze last heeft van chronische maagkrampen die verergerd zijn sinds ze tulpenbollen at. De kelders en de angst hebben blijvende traumatische schade aangericht, maar ze is de ideale moeder, houdt zielsveel van haar kinderen en koestert hen. Geen woord over die vreselijke tijd komt over haar lippen.

Anne Frank

De Joodse Nadine Wojakovski, kleinkind van Cilla, woont in Engeland. Van haar oudtante hoorde ze wat haar moeder en oma hadden meegemaakt. Tot dan reikte haar kennis van de Tweede Wereldoorlog niet verder dan de naam Anne Frank. En toch was haar moeder Renate, die als meisje van één jaar in leven bleef omdat haar ouders haar afstonden aan pleegouders.

De freelance schrijfster besefte dat ze dit verhaal eerst op papier moest zetten voordat ze verder kon. Jaren later, in 2013, verscheen haar boek in Engeland; nu is het in het Nederlands vertaald.

Regelmatig denk ik dat ik voorlopig maar even stop met het lezen van boeken over de oorlog. Niet uit ontkenning, maar meer als ‘overkenning’. Het thema is zo vaak beschreven dat sleetsheid dreigt. Dit boek overstijgt dat in grote mate. Het heeft een heel ingetogen, bijna documentaire stijl die indruk maakt. Gevoelens worden door de sobere beschrijving intenser. De oorlog krijgt een Nederlands gezicht omdat alles zich in Amsterdam afspeelt. Het opgesloten zijn wordt meer dan voelbaar en beangstigend. Je voelt de intensiteit van het in de val zitten, het afstand doen van je kinderen, de verlatenheid, de volstrekte eenzaamheid. En dat er mensen zijn die in deze situatie van andermans ellende profiteren onthutst en ontregelt.

Daartegenover staan de mensen die hun eigen veiligheid in de waagschaal stellen om anderen te redden. Gelukkig komen Cilla en Eugen die mensen tegen. Mensen die niet werkeloos toezien en er voor zorgen dat het kwade niet triomfeert. Heel bijzonder.

Cilla en Eugen hebben in 2014 via een Facebookoproep contact gelegd met nakomelingen van de familie Versnel. Postuum ontvingen Aad en Fie Versnel een onderscheiding als ”rechtvaardigen onder de volkeren”.

Een mooi boek over een geschiedenis die verteld moet blijven worden.

Boekgegevens

Twee keer bidden voor het slapengaan. Gebaseerd op een waargebeurde familiegeschiedenis uit de Amsterdamse oorlogsjaren, Nadine Wojakovski; uitg. Plateau; 199 blz.; € 17,95.