In ’t Hooge Nest gaven in de Tweede Wereldoorlog twee Joodse zussen leiding aan het verzet

In de villa ‘t Hooge Nest, gelegen in de bossen tussen Naarden en Huizen, gaven twee Joodse zussen leiding aan het verzet. beeld Jan Willem Kaldenbach
5

Journaliste Roxane van Iperen kreeg met de aankoop van ’t Hooge Nest een bijzonder huis in handen. In de Gooise villa gaven twee Joodse zussen in de Tweede Wereldoorlog leiding aan het verzet. Tot ze werden verraden. Een ongebruikelijk onderduikverhaal.

Met haar man en drie kinderen betrok Van Iperen (42) in 2012 ’t Hooge Nest. Ze waren direct verliefd op de bijna honderd jaar oude woning. Dat hier enkele tientallen Joden in de onderduik hadden geleefd, wist Van Iperen niet toen ze voor de eerste keer haar huis vanbinnen zag. Dat ontdekte ze toen ze het bijzondere pand in ere ging herstellen. Onder luiken in de houten vloeren vond ze kaarsstompen, bladmuziek en verzetskrantjes.

Wat dacht u? Hier zit een verhaal in?

„Nee, ik ging de geschiedenis van het huis uitzoeken voor ons eigen gezin en als eerbetoon aan ons huis. We kwamen allerlei bijzondere dingen tegen; en dan gewoon doorgaan, dat kon niet. Dus ik stak bij de oude Huizer bevolking mijn licht op en ik ging in Naarden langs bij het gemeentehuis. Maar het enige wat ik te horen kreeg was: „’t Hooge Nest had iets met de oorlog.” Dat was alles, terwijl ik iedere keer in het huis zulke mooie dingen tegenkwam.”

Om meer te weten te komen zette Van Iperen op dagen zoals 4 en 5 mei een tafeltje voor het huis aan het fietspad. „Bij mooi weer lopen tal van mensen langs ons huis het bos in. In plastic hoesjes had ik papieren gestopt met wat ik over het huis wist en daarbij stelde ik de vraag: Kunt u me verder helpen? De oproep leidde tot lieve reacties, maar een informatiestroom kwam niet op gang.”

Van Iperen ging door met speuren en werd bevestigd in haar vermoeden dat er meer was. „Het belangrijkste moment voor mij was toen ik in het Amerikaanse Shoaharchief van Steven Spielberg, de regisseur van de film ”Schindler’s List”, foto’s vond van kinderen in de onderduik, spelend in mijn tuin voor het theehuisje dat er nu nog staat. Dat moment zal ik nooit vergeten. Toen dacht ik: ik ga net zolang door tot ik de onderste steen boven heb.”

Veel meer kwam Van Iperen te weten over ’t Hooge Nest en zijn vroegere bewoners toen ze in contact kwam met historici als Ad van Liempt, die bekend zijn met de Holocaust in Nederland. Het bleek dat de twee Joodse zussen Janny en Lien Brilleslijper in 1943 in het huis terechtkwamen toen de grond in Bergen hun te heet onder de voeten werd. De in het bos verscholen villa in het Gooi groeide uit tot „een commune van verzet in oorlogstijd.” Janny en Lien namen niet minder dan 20 tot 25 Joden in huis en onderhielden nauw contact met het verzet. Tot ze in 1944 werden verraden en werden afgevoerd naar Westerbork en later Auschwitz en Bergen-Belsen. Janny en Lien overleefden de kampen.

En zo ontstond het idee er een boek over te schrijven.

„Dat gebeurde pas na een jaar of vier, in 2016. Ik was bezig met mijn tweede roman en zei terloops tegen mijn uitgever, Oscar van Gelderen, dat ik rond 4 of 5 mei een krantenartikel over ’t Hooge Nest wilde schrijven. Hij vroeg mij erover te vertellen. Daarop zei hij: „Hier ga je een boek over schrijven. Je laat alles uit je handen vallen, want de mensen die jou erover kunnen vertellen leven nu nog.”

Daarop zocht Van Iperen contact met de kinderen van Janny en Lien: Rob, Kathinka en Jalda. „Eerder vond ik dat minder gepast, omdat je als buitenstaander toch hun familieverleden overhoophaalt.” Uiteindelijk kwam het tot een ontmoeting, in ’t Hooge Nest. „Rob en Kathinka kenden het huis nog; Jalda niet, want die is van 1951. Intussen voelt het alsof we familie van elkaar zijn.”

Zijn ze blij met het boek?

„Rob noemde het een monument voor zijn moeder Lien en ook Kathinka is er heel blij mee. Jalda, die chazan, voorzanger, in Berlijn is, sprak in een brief over „tikkun olam”, dat wil zeggen dat ik met mijn boek iets wat gebroken is heb geheeld. Persoonlijk vind ik dat iets te veel eer, al is het wel heel lief.”

Speelde het Joodse geloof een rol in het leven van Janny en Lien?

„Ze waren liberale Joden. Als het om dogmatische zaken ging, haakten ze af. Anderzijds zei Kathinka dat ze de oorlog had overleefd door een ketting van wonderen. Het opmerkelijke is natuurlijk dat ze door de nazi’s niets anders meer dan Jood waren. Ze werden gecategoriseerd en afgeserveerd, en dat terwijl een mens qua identiteit veelkleurig is.”

Het boek is een succes. Hoe verklaart u dat?

„Dat heeft mij ook verbaasd. Het boek gaat over de oorlog, „weer de oorlog”, zoals ik mensen vaak hoor zeggen. Het is zware materie, maar het wordt toch enorm goed gelezen. Het is ook niet het gebruikelijke onderduikverhaal. Het gaat niet over mensen die op zolder zaten ondergedoken, maar over twee Joodse vrouwen die het verzet leidden en onderdak boden aan een grote groep Joden. In ’t Hooge Nest hadden ze muziekavonden, ze praatten over politiek, ze lachten met elkaar, ze maakten ook ruzie, kortom, ze leefden hier. Al waren er natuurlijk ook angstige momenten, als er gevaar dreigde. Het waren twee vrouwen die de rug recht hielden. Ze hadden moed en lef. Zelfs in Auschwitz stond Janny op tegen een SS-bewaakster om het leven van een kampgenote te redden. De mensen vinden dat dit soort verhalen bekend moet zijn.”

Ook met het oog op toenemend antisemitisme?

„We hebben een oorlog meegemaakt, maar vervolgens was er weinig loutering. In Europa en in de Verenigde Staten zie je een stijging van het antisemitisme. Hoe is het mogelijk dat het na de Holocaust voortdurend tot antisemitische incidenten komt? Het is gewoon een constante.

We moeten ervoor waken groepen te demoniseren. Hier in Europa gebeurde het met de Joden. In Brazilië, waar mijn vorige boek zich afspeelde, gebeurt het vanwege je huidskleur: hoe donkerder je huid, des te lager sta je op de maatschappelijke ladder. In Brazilië zijn ze nooit in het reine gekomen met de dictatuur. Wij hebben nog altijd moeite met onze eigen rol in de oorlog.”

Wat bedoelt u concreet met de rol van de Nederlanders in de oorlog?

„In Nederland is naar verhouding een bijzonder groot percentage van de Joden weggevoerd en omgebracht. De plannen van de Duitsers voerden wij efficiënt en voortvarend uit. Wij vinden het ingewikkeld om ergens tegen in opstand te komen of gewoon te zeggen: tot hier en niet verder. Bij de voorhoede van de samenleving, zoals hoge ambtenaren, het notariaat, de politie, de rechterlijke macht, de vastgoedinvesteerders, was een buitenproportionele bereidheid tot meewerken.”

Verklaart dat het hoge gehalte aan NSB’ers in de Gooise villadorpen?

„De NSB richtte zich zogenaamd op de boerenpopulatie: de partij was antikapitalistisch, anticommunistisch en antimodernistisch. Maar wie sloten zich aan of wie waren de NSB welgezind? Dat waren de welgestelden in de gegoede wijken. Daar is heel mooi onderzoek naar gedaan.”

Interessant.

„In Huizen, terwijl daar helemaal geen betere mensen wonen, werkte men minder mee met de Duitsers. De Huizer bevolking was gelovig, dus je zou verwachten conformistisch, maar dat was niet het geval. Het waren oude vissers die niet deden waar ze geen zin in hadden. Voor God hadden ze ontzag, Hij was hun enige autoriteit. Met mijn onderzoek kwam ik erachter dat veel mensen in Huizen wisten dat hier in ’t Hooge Nest onderduikers zaten, maar ze hebben hen niet verraden.”

Hoe keken Janny en Lien later op de oorlogsjaren terug?

„Verschillend, want hun karakters waren ook heel divers. Janny wilde er met de buitenwereld niet over spreken. Ze zei: „Laat me met rust. Het wordt toch allemaal geromantiseerd.” Lien is na de oorlog naar Oost-Duitsland gegaan. Later ging ze op tournee met haar Jiddische liedjes. Haar man, Eberhard, begeleidde haar dan op de piano. Zij vertelde over de oorlog, de kampen, en dat ze met Anne Frank in Bergen-Belsen gevangen had gezeten.”

Waarom is Lien naar de DDR gegaan?

„Vanwege het vijandige klimaat voor communisten en toch ook het naoorlogse antisemitisme in Nederland. Ze gingen nog liever in de DDR wonen dan dat ze in Nederland bleven.”

Waar bestond dat antisemitisme dan bijvoorbeeld uit?

„Een vrouw die met haar moeder Theresienstadt had overleefd gaf onlangs een lezing. Zij vertelde dat bij hun terugkeer bleek dat hun woning was onteigend. Iemand anders zat in hun huis. Wat was de reactie van de bewoner toen ze aanbelde? „In de hele straat keert er geen Jood terug, maar onze Jood wel.” De vrouw uit Theresienstadt stapte met haar moeder op de burgemeester af, maar die zei onbeschaamd: „Sorry, maar we doen het hier op de Duitse manier. Het pand is onteigend, je komt er niet meer in.” Er zijn legio van dergelijke verhalen. Weinig mensen kennen die, maar het is gebeurd en dat moeten we wel weten.”

Hoe voelt het om te wonen in een huis met een dergelijk verleden?

„Ik denk dat we ons met name bevoorrecht voelen. Niet alleen om het huis en de mooie ligging in het bos, maar vooral omdat we met het hele gezin voelen dat we in de erfenis van echte vrijheidsstrijders leven. We zullen nooit in hun schoenen kunnen staan, maar in het dagelijks leven probeer ik bij mijn keuzes wel altijd te denken aan de moed van de zussen, hun lak aan conventies en hun nastreven van een hoger doel.”