Huishoudster op een Schots kasteel

Josephine Rombouts werkte vier jaar als huishoudster in een Schots kasteel. beeld iStock
2

Zonder enige ervaring ging de Nederlandse Josephine Rombouts aan de slag als huishoudster op een Schots kasteel.

Over haar ervaringen schreef Josephine Rombouts een bij vlagen hilarische zedenschets, die een bijzonder inkijkje geeft in het leven van de Britse elite.

Eerlijk gezegd komen Rombouts (een pseudoniem) en haar man nogal impulsief over. Ze huren met hun twee zonen een cottage op een afgelegen schiereiland voor de Schotse westkust om zich daar permanent te vestigen, zonder enig zicht op een bron van inkomsten. Haar man is musicus: niet bepaald de ideale achtergrond om op het platteland de kost mee te verdienen. Rombouts zelf is docent. Ook voor haar liggen de banen op hun schiereiland niet voor het oprapen.

Noodsprong

Dat ze op een dag solliciteert als huishoudster op het kasteel in de buurt is feitelijk een soort noodsprong. Maar ze krijgt de baan, ook al heeft ze geen flauw idee wat haar baan inhoudt. Uiteindelijk houdt ze het, met vallen en opstaan, vier jaar vol. Al is het misschien, gezien de onderlinge verhoudingen, beter om te zeggen dat het de kasteelvrouw is die het al die tijd met haar uithoudt. Want in zo’n Schots kasteel is het in veel opzichten alsof de tijd heeft stilgestaan, ook wat betreft de arbeidsvoorwaarden. Een vast contract? Vergeet het maar. „Je werkt voor het kasteel zolang ze je nodig hebben, en als dat niet meer zo is, dan houdt je baan op”, legt een buurvrouw Rombouts bereidwillig uit.

Hovenier

Dat geldt voor de meeste mensen die op het landgoed wonen: ze huren hun huis van de kasteelvrouw en werken –als het kasteel bewoond is– er als hovenier en huishoudelijke hulp. Een nogal wankel bestaan, want alternatieve baantjes zijn er in de buurt eigenlijk niet.

Het fascinerende van Rombouts’ boek is dat ze in columnachtige hoofdstukken een wereld schetst waarvan je zou denken dat die allang geleden opgehouden had te bestaan. Je zou het ook een luchtig geschreven hedendaagse zedenschets kunnen noemen, want het gaat vooral over de –voor een Nederlander– moeilijk te doorgronden omgangsvormen tussen de rangen en standen in het kasteel.

Een voorbeeld daarvan: als de kasteelvrouw Rombouts op een dag een lift aanbiedt verlaat eerstgenoemde het huis via de hoofdingang. De huishoudster moet een lange omweg maken via de deur voor het personeel, die zich aan de zijkant bevindt. Waarna ze samen in een auto stappen.

Als lezer val je, met de auteur, van de ene verbazing in de andere. Bijvoorbeeld als het gaat over de buitengewone rijkdom van de familie, met een huis in Londen, een appartement in Edinburgh en dan nog het kasteel – waar ze afwisselend wonen. Dat zo’n leven in de 21e eeuw nog bestaat.

Kopje thee

Hetzelfde gevoel bekruipt je als het gaat over de maatschappelijke verhoudingen, die aan de overkant van de Noordzee nog behoorlijk vast blijken te liggen. Als Rombouts op een dag de loodgieter uitnodigt om in de keuken een kopje thee te drinken, komt ze erachter dat dat in vijftien jaar nog nooit eerder is voorgekomen. „Dat is niet voor ons soort mensen”, zegt hij. Maar hij mocht wel de wc in het kasteel gebruiken. De schilders niet: die werden naar de wc op de binnenplaats verwezen. „Een heel gedoe gaf dat, want ze deden het toch.”

Rombouts dist de wrijvingen en de misverstanden die de culturele kloof tussen Nederlanders en Britten met zich meebrengt met smaak op en spaart ook zichzelf niet. Neem de manier waarop mensen zich uitdrukken. Nederlanders staan bekend als direct: je zegt gewoon wat je bedoelt. Lekker duidelijk, vinden we zelf, en daar zijn we soms ook nog trots op. Maar je kunt iemand er onbedoeld ook mee voor het blok zetten.

Rombouts ondervindt dat bij herhaling, bijvoorbeeld als ze de kasteelvrouw opbiecht dat ze afgedankte kleding die ze eigenlijk naar de kringloopwinkel moet brengen altijd eerst zelf inspecteert. Dat vindt ze wel zo eerlijk. Maar terwijl ze haar verhaal doet, realiseert ze zich dat ze haar werkgever daarmee feitelijk in het nauw drijft. Wat kan ze zeggen? „Foei, leg terug!” Maar nee. De kasteelvrouw repliceert zonder blikken of blozen dat ze dat vanzelfsprekend vindt. „Eerst familie, daarna liefdadigheid, zeg ik altijd.” Meent ze dat nou, of zegt ze dat om hun beider gezicht te redden?

Aanpassen

De beste manier om te overleven is om je –enigszins– aan te passen, is de ervaring van de auteur. Ze ontdekt het nut van de vaardigheid om jezelf onzichtbaar te maken, zoals ze in een oud handboek voor butlers las. Met andere woorden: om de familie zo min mogelijk voor de voeten te lopen.

Ook Rombouts’ zoons passen zich aan. Ze hebben binnen de kortste keren door dat het niet de bedoeling is om, als ze bij een van de buren op bezoek zijn, binnenshuis te rennen of te schreeuwen. Daar staat tegenover dat niemand moeilijk doet als ze, buiten spelend, een nat pak halen in de rivier.

Boekgegevens

Cliffrock Castle. Werken op een kasteel in Schotland, Josephine Rombouts; uitg. Querido; 352 blz.; € 20,99