Hoe Jack C. S. Lewis werd

Bronzen beeld van C. S. Lewis in Belfast, waar de Britse schrijver in 1898 werd geboren. beeld RD
2

„Het kind is vader van de man”, schreef de romantische dichter William Wordsworth in 1802. Deze regel, uit een kort gedicht waarin een jeugdervaring een volwassen verlangen wordt, vormt zowel uitgangspunt als voedingsbodem voor de biografie ”Becoming C. S. Lewis. A biography of a young C. S. Lewis (1898-1918)”.

Kees Jansen

Harry Lee Poe schreef een jeugdbiografie over de Engelse schrijver, apologeet en literatuurhoogleraar en richtte zich op de eerste twintig jaar van zijn leven. Poe schreef dit boek vanuit de overtuiging dat juist Lewis’ vroege adolescentie door andere biografen grotendeels genegeerd is, terwijl hij er in zijn autobiografie uitgebreid op reflecteerde. Opnieuw ging de auteur door het beschikbare materiaal, waaronder ook ongepubliceerd werk, maar nu met deze invalshoek als uitgangspunt. De biografie laat zien welke mensen, boeken en gebeurtenissen Lewis vormden. Het waren de jaren waarin zijn meest basale indrukken en voorkeuren zich ontwikkelden en die de jongen de vader van de man maakten.

De eerste twee hoofdstukken behandelen Lewis’ periode aan Wynyard School (1908-1910) en verschillende scholen in Malvern (1910-1914). Wynyard was de eerste school die Jack, zoals hij zich inmiddels liet noemen, bezocht na het overlijden van zijn moeder. Deze periode kenmerkte zich door veelal negatieve ervaringen, diepe onzekerheid en een eenzaam bestaan. ”Belsen”, noemde hij de school.

De biograaf duidt veel van Lewis’ latere voorkeur en afkeer voor bepaalde dingen als afkomstig uit zijn Wynyard-tijd: zowel zijn liefde voor de sigaret, sciencefiction en dieren, als de haat jegens kliekvorming en een hartgrondige afkeer van de neiging van sommige recensenten en auteurs om in literaire werken dingen te lezen die er niet staan.

Dat laatste beargumenteert Poe aan de hand van wat Lewis schrijft over de manier waarop vader Albert zijn correspondentie interpreteerde, namelijk dat „de overduidelijke betekenis van enig feit of document altijd verdacht was” (blz. 48). Als volwassen en befaamd literair criticus zou Lewis hiervan zelfs een speerpunt maken. In de biografie ontkomt ook Poe niet helemaal aan deze valkuil, maar hij is goed genoeg op de hoogte van Lewis’ allergie op dit punt.

Dit wordt onder meer duidelijk als Harry Poe in hoofdstuk drie de vriendschap en briefwisseling van Lewis met Arthur Greeves beschrijft. Jack en Arthur waren verknocht aan Wagner en Noorse mythologie en besloten een echte Wagneropera te schrijven. Lewis, met zijn grote ambities voor het dichterschap, als librettist en Arthur als componist. De jonge Lewis, zestien jaar oud in 1914, noemde de opera ”Loki Bound”.

Wanneer Harry Poe Lewis vergelijkt met Loki, de god van het vuur, is hij zich meteen bewust van het gevaar: „Als de vrees niet bestond de misdaad te begaan die Lewis ”de persoonlijke ketterij” noemde, zou men in Loki, de slimste van de goden, een schaduw van (de latere) C. S. Lewis kunnen ontdekken” (blz. 110).

Langs de rand van deze valkuil balanceert de biografie nogal eens. Een heel groot probleem is dat overigens niet, hooguit zijn sommige (psychologische) toespelingen wat speculatief.

De rest van de biografie, na Lewis’ tijd in Malvern tot zijn studie in Oxford, komt vooral in hoofdstuk vier en vijf goed op gang. De verbindingen die de auteur legt tussen de filosofisch-literaire ontwikkeling van de zeer leeshongerige Jack met het literaire werk en de opvattingen van de gerijpte Lewis, worden hier overtuigender.

Jack, inmiddels atheïst, bracht tweeënhalf jaar door bij een privéleraar, W. T. Kirkpatrick, een materialist met een ijzersterk logisch redeneervermogen. Lewis was idolaat van ”the old Knock”, zoals Jacks vader hem noemde, en hij ontpopte zich nog meer als hoogmoedige, pedante jongeman die zich superieur waande aan zijn omgeving. Terloopse opmerkingen van anderen werden botweg de grond in geboord omdat Jack er logische zwakten in had ontdekt. De latere en dan gelovige Lewis omschreef zichzelf in zijn autobiografie met het woord ”prig”, een arrogante kwal.

Met name hoofdstuk vijf en zeven geven goed inzicht in Lewis’ lees- en schrijfgewoonten en de boeken die de basis werden voor zijn denken en verbeeldingskracht. Deze hoofdstukken laten goed zien hoe de vorming van de onbekende Jack de befaamde C. S. Lewis zou creëren.

Joy

Jack verslond alles wat The Knock hem voorzette, een dieet van filosofie, wiskunde en wetenschappelijke werken. Van fictie hield Kirkpatrick overigens niet –te weinig gericht op feiten– en als hij even uit Jacks blikveld verdween, las Lewis juist dat, en veel. De romanticus in de jonge Jack, die in het onderwijs van materialist Kirkpatrick ook geen voeding kreeg, leefde op door de ontdekking van schrijvers die in hem aanwakkerden wat hij later omschreef als ”Joy”, diepe vreugde en onvervuld verlangen.

In hoofdstuk zeven concludeert Poe: „Wat we herhaaldelijk zien bij de adolescente Jack Lewis, is dat het lezen voor z’n plezier hem een carrière opleverde als geleerde en literair criticus die ver voorbij zijn dood zou bestaan, onafhankelijk van zijn populaire of religieuze geschriften” (blz. 210).

Poe voorziet zijn publiek van korte en goede introducties op de grote klassieke werken die Lewis las, zoals die van Homerus en Vergilius, Noorse mythologie en de klassiekers van de Engelse literatuur. Zo ontstaat een boeiend beeld van de vorming van een jongeman die tot een van de belangrijkste christelijke denkers van de twintigste eeuw zou uitgroeien.

Becoming C. S. Lewis. A biography of a young C. S. Lewis (1898-1918), Harry Lee Poe; uitg. Crossway; 312 blz.; € 19,99