Historicus Ewald Mackay: Durf christelijk perspectief te verwoorden

De geschiedfilosoof dr. Ewald Mackay (54) voor zijn geboortehuisje, rechts halverwege De Korverstoep, een steeg die dwars op de Rivierdijk in Sliedrecht staat. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Reformatorische christenen moeten hun geloof beter leren verwoorden. Én dat verbinden met hun wetenschappelijk bezig zijn. De historicus en filosoof dr. Ewald Mackay deed een poging om de geschiedenis van de mensheid vanaf de schepping te beschrijven vanuit zijn eigen christelijk perspectief. „Durf eenheid te zoeken tussen geloof en wetenschap.”

Mackay (1964), docent cultuurgeschiedenis en filosofie aan Driestar hogeschool in Gouda en columnist van het Reformatorisch Dagblad, publiceerde begin deze maand zijn 600 pagina’s tellende paperback ”De gedenkbalk van het Grote Huis”. Eerder schreef hij ”Het Grote Huis” (2013) en ”Een leeskamer in het Grote Huis” (2016).

Wat is het Grote Huis?

Mackay: „Ik ontdekte dit beeld bij de schrijver Chaim Potok. Toen rabbijn Jochanan ben Zakkai in het jaar 70 weende over de val van Jeruzalem, las hij in 2 Koningen 25:9 dat Nebukadnezar, zes eeuwen eerder, het huis des Heeren verbrandde. Ben Zakkai kreeg een ingeving: „Het letterlijke huis is vernietigd. Wat mij nog rest, is het innerlijke huis van de geloofstraditie.”

Dit Joodse beeld leen ik voor de beschrijving van de continue lijn van de christelijke geloofstraditie. Die lijn is voor Europa dat vanuit Israël, via de Romeinse wereld, Christus’ licht ging schijnen in de Germaanse wouden. Zo vormde God in Europa een stukje van Zijn kerk, te midden van de andere wereldgodsdiensten.”

Waarom schreef u dit boek?

„Als antwoord op mijn proefschrift uit 1997, ”Geschiedenis bij de bron”. Daarin verdedig ik het standpunt dat geloof en geschiedwetenschap betrekking hebben op elkaar. Ik geloof in de eenheid van die twee, niet in een dualisme. Geloven is van een hogere orde dan wetenschap, want geloof gaat alle weten te boven. Tegelijk is geloof niet onredelijk. In deze hoofdtraditie van gelovend denken volg ik onder anderen Augustinus. Neutrale wetenschap bestaat niet. Elke wetenschapper heeft een perspectief. Dan mag wetenschap ook een christelijk perspectief hebben, naast een liberaal of socialistisch uitgangspunt.

Op mijn proefschrift kwamen in 1997 uit seculiere hoek enkele welwillende reacties. De atheïst Ger Harmsen zei letterlijk tegen me: „Mijn zegen heb je.” Vanuit christelijke kring kwam er naast positieve ook sceptische respons: het is allemaal theorie. Dat moet je nooit tegen mij zeggen; dat zag ik als een uitdaging. Vanaf dat moment ben ik gaan nadenken om het principe van persoonlijke, christelijke geschiedschrijving in praktijk te brengen.

Sindsdien heb ik acht boeken geschreven, in feite voorstudies voor dit werk. Door mijn dertigjarige loopbaan in achtereenvolgens het universitair, middelbaar en hoger onderwijs, heb ik geoefend om in mijn lessen geloof en geschiedenis met elkaar te verbinden. Ik zie het als taak om zowel het debat met de seculiere wetenschap als het gesprek in de christelijke wereld aan te gaan. Mijn voorstel is: durf eenheid te zoeken tussen geloof en wetenschap. Déél je erfgoed en de traditie.”

U beschrijft de geschiedenis vanuit uw eigen, christelijk perspectief. Waarom?

„Wetenschap vanuit christelijk perspectief is voor mij gericht op de persoon. In veel oude culturen gaat het om de groep, de stam, het volk. Neem daarentegen de psalmen, Job: het zijn egodocumenten. Denk aan de tekst: „Strijd gíj om in te gaan.” Christus ziet ons persoonlijk aan.

Ik wil anderen graag de spiegel voorhouden. Een les landt niet als iets abstract is. Zodra een leerling, student of kerkganger in de spiegel van de leraar of de predikant kijkt, gaat diens voordracht leven. Als ik me kwetsbaar opstel, doen mijn lezers het ook. Dáárom leg ik het lijntje van mijn geboorteplaats Sliedrecht, mijn grootouders die me vertelden over de Tweede Wereldoorlog en me warm maakten voor de wereldgeschiedenis.

Zo kwam ik uit bij het beeld van de gedenkbalk die in historische boerderijen soms aanwezig is. Daarop markeerden bewoners inscripties van belangrijke momenten in hun persoonlijk leven: geboorte- en sterfjaren, oorlogen en overstromingen.

Ik pretendeer niet hét boek over dé geschiedenis te hebben geschreven. Wat ik zie als micro- en macrogeschiedenis zijn wat kerfjes in de gedenkbalk. Het is een kennen ten dele; ik kon lang niet alles opschrijven.

Als derde lijn zie ik een spanning tussen de eeuwige werkelijkheid van God en de aardse werkelijkheid. Er is een eeuwige God, Die deze wereld schiep. In de wereld is geschiedenis zeer fundamenteel: christelijk denken ís historisch denken. Ik probeer duidelijk te maken hoe de mensen door de eeuwen heen antwoorden gaven op de vraag wat die geschiedenis betekent, waarom zij moeten lijden.

Essentieel is het besef dat Gods eeuwig Koninkrijk niet van deze aarde is, maar zich tegelijk ook baanbreekt door de geschiedenis. Dat zet alles op scherp. In Europa is, nadat in 312 keizer Constantijn christelijk werd, een christelijk rijk ontstaan. Kerk en staat zagen zichzelf als degenen op wie de macht van Christus werd overgedragen. Dit is een mooie gedachte, maar het gevaar van verwereldlijking ligt tegelijkertijd op de loer.

Ik heb geprobeerd te schetsen hoe het idee van een christelijk Europa verdampte, de Franse Revolutie ontstond, de rede (het verstand) op de troon werd gehesen, hoe het duizendjarig rijk op een esoterische manier in Hitler-Duitsland gestalte kreeg, hoe in Oost-Europa een hemel zonder God werd uitgeprobeerd, en hoe het liberale idee van een seculier Europa ontstond.”

Ziet u Gods hand in de geschiedenis, en zo ja hoe?

„Vooropgesteld, je moet hierin heel voorzichtig zijn. Maar dat laat onverlet dat als je je ertoe gedrongen voelt, je hier of daar mag zeggen: Daar word ik stil van; daar zie ik Gods hand.

Drie voorbeelden. In mijn woonplaats Sliedrecht staat de hervormde kerk op funderingen uit de 10e eeuw. Daar, in dat houten kerkje op die zandterp, klonk de naam van Christus voor het eerst aan de Merwede, ging Zijn licht schijnen. Dat is iets van Gods hand in de geschiedenis.

Mijn opa is tijdens de Tweede Wereldoorlog op een wonderlijke wijze niet ontdekt in een ondiepe kast toen de Duitsers hem zochten. Naderhand zong hij met mijn oma bij het harmonium: „Maar de Heer’ zal uitkomst geven.” „God heeft de ogen van de Duitsers verblind”, vertelde hij me.

In het groot denk ik aan het wonderlijke ontstaan van de staat Israël in 1948, al weet ik dat dit op kritiek stuit, ook van linkse en rechtse theologen. Ik zeg: Dit is Gods volk, daar blijf je van af.”

In 1997 signaleerde u binnen de gereformeerde gezindte een sterke scheiding tussen geloof en wetenschap. Hoe staat het daar momenteel mee?

„De reformatorische gezindte is door luxe te veel in de wereld gaan wonen. We doen met alles mee en zetten er dan het woord ”maar” achter. We moeten in de wereld zijn en niet van de wereld.

Met name op de reformatorische middelbare scholen zie ik een zeker dualisme. Ze werken niet altijd vanuit een christelijk wereldbeeld. Dat verbaast me. Docenten lezen bij de dagopening een Bijbelgedeelte, en daarna gaan ze ‘gewoon’ wiskunde, economie of geschiedenis behandelen. Het bestaansrecht van de reformatorische school bestaat toch niet alleen uit de dagopening en de kledingregels? Hoe manifesteert zich een christelijk perspectief in scheikunde, economie, muziek? Het zou goed zijn als hierover studiedagen werden gehouden.

Steeds meer reformatorische jongeren gaan studeren. Het zou mooi zijn als dat vaker natuurwetenschappen zouden zijn, vanwege het debat over evolutie of genetica. Op het terrein van de geesteswetenschappen speelt het debat net zo goed. Geen christen schrijft een mooie literatuurgeschiedenis over de Engelse letterkunde. Veel terrein ligt braak.

We kunnen ons ontzettend goed organiseren, tot reformatorische gezinsbeurzen toe, maar we moeten in de wetenschap onze krachten bundelen. Er is veel talent in de gereformeerde gezindte. Op de universiteit wordt dat in het dualistische kader van de scheiding tussen geloof en wetenschap geduwd. Daarom moeten juist de reformatorische middelbare scholen een christelijk wereldbeeld meegeven.”

Welke invloed hoopt u dat dit boek zal hebben?

„Ik hoop dat reformatorische christenen vaker in de christelijke traditie wetenschap gaan bedrijven en onderwijs gaan geven. Dat wij meer ons christelijk wereldbeeld durven te verwoorden. Ik hoop dat we zo voorbij het dualisme raken.”

Boekgegevens

De gedenkbalk van het Grote Huis. Een persoonlijk perspectief op de geschiedenis, dr. Ewald Mackay; uitg. De Banier; 608 blz.; € 29,95.