Het schrijven van een familiegeschiedenis is een kunst

„Al die mooie interessante mensen op de oude zwart-wit foto’s.” beeld iStock
7

Een belofte op het sterfbed van moeder, de vondst van oude familiealbums op zolder, een verhaal dat niet verloren mag gaan, een zoektocht naar eigen identiteit. Met allerlei motieven duiken mensen in hun familieverleden. Je moet wel van goeden huize komen om daar vervolgens een interessant boek van te maken.

Ze verschijnen bij tientallen. Boeken met titels als: ”Mijn Poolse huis”, ”Ze kwam uit Marioepol”, ”De akte van mijn moeder”, ”Wat je niet vertelde”. Op de omslagen mooie foto’s uit het familiearchief: meisjes in een witte communiejurk of met een grote strik in het haar, een ongedwongen plaatje bij zee of juist een geposeerde familiefoto met serieuze gezichten. Als je geluk hebt, staan er in het boek nog meer foto’s. Persoonlijk vind ik het altijd plezierig om oog in oog te staan met de hoofdpersonen van je boek. Het is een moment van verrassing: dit is hij of zij dan.

Het literair schrijven over de eigen familiegeschiedenis is duidelijk een trend. En eentje die nog heel lang kan duren, want het genre is breed en divers: van het veelomvattende ”De eeuw van mijn vader” (1999) van Geert Mak tot een intieme liefdesgeschiedenis als ”Een liefde in Dresden” (2019) van Michel Veering. Hoe komt het dat er de laatste decennia zoveel familiegeschiedenissen worden opgeschreven? Waar komt die trend vandaan?

Chronologisch gezien begon het in de jaren zeventig van de vorige eeuw toen het beoefenen van genealogie als hobby opkwam en razend populair werd. „De meest verbreide geslachtsziekte”, noemde historicus Piet de Rooy het eens – enigszins neerbuigend. Een stamboom is niet meer voorbehouden aan adellijke families, iedereen kan zijn voorgeslacht in kaart brengen. Een groot deel van de hobbyisten stelt zich tevreden met het opstellen van een kwartierstaat, maar een deel gaat verder en onderzoekt de context en de verhalen achter de namen en jaartallen. In eigen beheer worden zo tientallen familiegeschiedenissen uitgegeven.

Twee toppers

Slechts een enkeling is het gegeven een boek te schrijven dat een breed publiek aanspreekt. Vaak gaat het dan om geroutineerde schrijvers en is de aanvliegroute ook anders of breder dan de genealogie. Om twee toppers te noemen: ”Het pauperparadijs” van Suzanna Jansen en ”Oorlog en Terpentijn” van Stefan Hertmans. Jansen was journaliste en beoogde een reportage te schrijven over de koloniën van Veenhuizen. Dat liep uit op een boek met als ondertitel ”Een familiegeschiedenis”. Hertmans was al een gerenommeerd auteur voordat hij het aandurfde om de dagboeken van zijn grootvader te gebruiken voor een roman. Onder familiekronieken van recenter datum zitten ook pareltjes, zoals ”De Poolse soldaat” van de Vlaamse journaliste Dolores Thijs. En: ”Ze kwam uit Marioepol” van Natascha Wodin, een in Duitsland gevierde schrijfster.

Deze auteurs liften mee op de belangstelling die er is voor het familieverleden én versterken de trend. Het zit in de lucht, zegt men dan en daarmee kom je op meer sociologische en psychologische verklaringen.

Lossere familiebanden

Wat allereerst opvalt is dat in het gewone leven familie minder belangrijk is geworden. De toegenomen belangstelling voor genealogie, en in het verlengde daarvan voor familiegeschiedenis, valt plusminus samen met het losser worden van familiebanden. Dat lijkt tegenstrijdig, maar misschien is het juist logisch dat mét dat het fenomeen familie minder vanzelfsprekend en minder aanwezig is, de aandacht ervoor toeneemt. Als je iets verliest, krijg je meer oog voor de waarde ervan. De existentiële vragen –wie ben ik en waar kom ik vandaan?– doen zich meer gelden.

”De Poolse soldaat” heeft als motto een citaat van Soren Kierkegaard: „De grootste angst is om níet te weten wie je bent.” Voor Dore van Duijvenbode, auteur van ”Mijn Poolse huis”, is het een geruststelling deel uit te maken van een familie: „Ik sta niet in het luchtledige, zoals ons huis ’s winters tussen de smog en de sneeuw, maar ben een opeenstapeling van de meest uiteenlopende momenten. De affaires van mijn grootvader, de ruzies over de erfenis, de worsten in het kampvuur.”

Daarnaast is er in onze cultuur over de gehele linie een onmiskenbare hang naar het verleden die wellicht te maken heeft met angst voor, en onzekerheid over de toekomst. Een populaire politicus als Baudet cultiveert en ventileert onbekommerd een romantische verheerlijking van het verleden. De grote belangstelling voor het specifieke familieverleden zal ook een reactie zijn op globalisering en mondialisering en past dan in het rijtje van local food, lokale politiek, nationalisme en Brexit – uitingen van het zich terugtrekken in kleinschalige, vertrouwde verbanden.

Dan is er nog een praktische kant. In veel familiegeschiedenissen speelt de Tweede Wereldoorlog een grote rol. Nog even en de laatste ooggetuigen zijn er niet meer, dat geeft mensen een gevoel van urgentie. Bart van Es schrijft in zijn boek over een meisje dat bij zijn familie ondergedoken zat: „Toen mijn oom Kees stierf drong het besef door: als ik nog wat wil uitzoeken moet ik het nu doen, want anders leeft die generatie niet meer.”

Intussen is het wel een genre met specifieke moeilijkheden. De familie mag dan een onmisbare bron van informatie zijn, ze kan tegelijk een groot obstakel vormen. Iedere familie hangt het liefst de schone was buiten. Het schrijven wordt een eenzame klus als verwanten bang zijn dat hun reputatie schade lijdt of niet willen dat oude wonden worden opengehaald. Soms loopt het zelfs uit op ruzie. In een interview bekent de Hongaarse schrijver Forgách dat zijn zus woedend op hem is: „Vrienden jubelen: „András, je boek is een groot succes. Fantastisch!” Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven.”

De betrouwbaarheid van de mondelinge bronnen is een andere complicerende factor. De chroniqueurs moeten het hoofd bieden aan mistige herinneringen, tegenstrijdige verklaringen, verzinsels, halve of hele leugens. Naarmate de tijd verstrijkt worden herinneringen diffuser. Als Natascha Wodin eindelijk bloedverwanten op het spoor is en ze uitgebreid kan bevragen, komt de ontnuchtering: „Ik had geen idee wat ik moest geloven en wat niet en verlangde terug naar de kalme, gelukkige tijd met al die doden, al die mooie, interessante mensen op de oude zwart-witfoto’s.”

Vrouwelijke auteurs

Een interessant aspect is het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs. Het lijkt erop dat vrouwen meer bezig zijn met vragen over hoe hun afkomst doorwerkt in het heden. Met hun eigen identiteit en persoonlijkheid dus. De jonge Dolores Thijs, zwanger van haar eerste kind, wordt overspoeld met vragen als haar moeder een geheim onthult. „Wie was ik? Wat was mijn identiteit? Wat had mij het meest beïnvloed: de opvoeding van een liefdevolle pleegvader of de genen van de biologische verwekker?” Nature of nurture? Aanleg of opvoeding?

Dolores komt tot de conclusie dat de bloedband vaak overschat wordt en dat opvoeding veel belangrijker is. Bij Natascha Wodin is dat dubbelzinnig: enerzijds worstelt ze met het idee dat haar „psychisch fiasco” met haar afstamming te maken heeft. Anderzijds is er de troost van bloedverwantschap, die ze ervaart als een soort „intense lichamelijke gewaarwording.”

Weerspiegeling

In drie recente familieboeken –hoe verschillend ook– van de mannelijke auteurs Bart van Es, András Forgách en Michel Veering, spelen vragen rond de eigen persoonlijkheid daarentegen nauwelijks een rol. Bart van Es is wel nadrukkelijk in zijn boek aanwezig, als onderzoeker, maar pas aan het eind stipt hij aan hoe het hemzelf raakte: „Ik heb mezelf ook in een ander weerspiegeld gezien, namelijk mijn oma. Natuurlijk niet op het vlak van haar moed, maar in een aantal van haar fouten.”

Van Es en Veering zijn de auteurs die het dichtst op de feiten zitten. Bij Veering pakt dat minder goed uit, hij neemt lange lappen tekst uit de bronnen op, die soms te langdradig zijn. Hij beschikt wél over prachtig materiaal, waaronder een hele koffer vol brieven. Toch zegt dat niets over het welslagen van een boek. In handen van ervaren auteurs als Hertmans, Wodin of Thijs kan er eigenlijk ‘niks’ mis gaan, ook niet als er veel minder bronnen voorhanden zijn. Waarbij je je wel realiseert dat deze auteurs vooral een mooi boek (willen) schrijven, en dat ‘de waarheid’ dan minder belangrijk wordt.

Kleurrijke laag

Lossere familiebanden, angst voor de toekomst en het wegvallen van mondelinge bronnen zijn verklaringen voor de hausse aan familieromans. Ondanks specifieke moeilijkheden van het genre, geven ze, door het inbrengen van herinneringen en emoties, een kleurrijke laag aan het historisch onderzoek. Het zijn de literair begaafde auteurs en zij die hun eigen familiegeschiedenis weten te ontstijgen, die de mooie boeken schrijven en een breed publiek aanspreken.