Hendrik Marsman wilde groots en meeslepen leven en schrijven

Brede rivieren, oneindig laagland.  beeld RD, Henk Visscher
3

”Herinnering aan Holland” is eind 20e eeuw verkozen tot Gedicht van de Eeuw. Bijna iedere (lezende) Nederlander kent zijn naam, maar wie was Hendrik Marsman ook alweer?

Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan. Velen kennen deze eerste strofen, maar wie kent de slotwoorden, over de stem van het water met zijn eeuwige rampen?

Hendrik Marsman werd geboren in 1899 en vond in juni 1940 een zeemansgraf in de Golf van Biskaje. Dat laatste had niets te maken met zijn droom om zeeofficier te worden en was ook geen heroïsch einde, waarop hij als dichter vaak zinspeelde, maar een anonieme dood op de vlucht voor de nazi’s.

Recent verscheen ”Groots en meeslepend”, een bloemlezing uit Marsmans gedichten, samengesteld door Jaap Goedegebuure. Literatuurcriticus en emeritus hoogleraar Goedegebuure promoveerde op Marsmans poëzie en schreef ook diens biografie. In een kort nawoord probeert hij Marsmans leven en werk met elkaar te verbinden en te duiden.

Drijvende kracht

Het voelt alsof veel van de gedichten ook met de persoon en het leven van Marsman te maken hebben. Natuurlijk, het dichterlijke ”ik” mag niet vereenzelvigd worden met het ”ik” van de auteur, maar Marsman was wel een late representant van het expressionisme. Dat is in veel van zijn vroege gedichten voelbaar; wat hem ten diepste drijft en raakt in zijn dichterlijke ziel, knalt hij op papier. Of het nu welgevoeglijk is en maatschappelijk aanvaard, of niet. Zo vallen in sommige gedichten de wellust en expliciete beschrijvingen op, maar toch gaat het, veel meer dan om de uitspattingen van de dichter-bohemien, om de drijvende kracht die daarachter zit.

De vitalisten (volgens Bergson was het élan vital de essentie van het menselijke), waar Marsman later toe behoorde, wilden verval en dood op een afstand houden door wilde levenskracht, zinderende kunst en een totaal opgaan in die dingen die de mens uit de dagelijkse, materiële, mechanische sleur kunnen optillen. Desnoods met drank, drugs en vleselijke uitspattingen.

Onbereikbaar paradijs

Bij Marsman ligt het gecompliceerder en lijkt het élan vital sterk op de (gelovige) ziel. Een schuldig en onbuigzaam ”ik”, triest maar trots en nietzscheaans graaiend naar grootheid. Haast als bij Miltons Satan in ”Paradise Lost” is er een diep besef van zonde en verlorenheid, maar tegelijk de wil vast te houden aan (dichterlijke) overtuigingen. Veel van deze gedichten spreken, dwars door wellust, doodsdreiging, eenzaamheid en nauwelijks te dragen dichterschap heen, van een verlangen naar een onbereikbaar paradijs. Confronterend eerlijk is de laatste strofe van ”De Wanhoop”, waarin angst voor dood en hel én trotse onbuigzaamheid zijn samengevat: „ik wil God zijn om niet te vergaan.”

De titel van de bundel past: groots en meeslepend wilde Marsman schrijven en leven. Met name zijn vroege, vormvrije gedichten doen inmiddels ouderwets aan, met een beeldtaal en stijl die veel inleving en geduld vragen. Dat is niet ongewoon bij poëzie; de gedateerdheid van dit vroege werk zit meer in het gevoel en de levensvisie die dichtend worden uitgedragen. Het beeld van de dichter-bohemien, de nobele, profeetachtige zondaar, is achterhaald. Van veel blijvender schoonheid zijn dan de vormvastere, latere (en heel vroege) gedichten. Gedichten zoals ”Herinnering aan Holland”, maar ook zoals gedicht XLVIII uit ”Tempel en kruis”, de bundel die Marsman in 1940 publiceerde, als een soort klaroenstoot voor een nieuwe periode in zijn (schrijvers)leven.

Chagall

Deze beschrijvende Marsman klinkt heel anders. Zoals in het gedicht ”Berlijn”, waarin hij de stad beschrijft als een kleurig schilderij van Chagall. Of het klankgedicht ”Fort”, waarin het ratelt van s- en t-klanken: schoten tussen de bulderende, rollende, grommende o-klanken door. Beschrijvend is Marsman op zijn best, als hij in flitsende penseelstreken een landschap, een vrouw, de zee schildert. Dan ontstaan er gedichten als ”Denkend aan Holland” en ”De zon en de zee springen bliksemend open”. Weg is dan alle grootheidswaan, wellust en zwartheid en verwoordt hij schitterend de existentiële nood van onze sterfelijke verlorenheid. Zulke gedichten, die subtiel en prachtig van ritme, klank en taal zijn, worden terecht gekoesterd en verklaren waarom Marsman, ondanks zijn minder geslaagde experimenten, een van Nederlands meest geliefde dichters blijft.

XLVIII

De hemel is leeg,

de oneindigheid bloedt.

in het nachtlijk gewelf

niets dan sintels en roet.

en de transen gescheurd

van den brandenden schreeuw

en de sneeuw weer besmeurd

met het bloed dezer eeuw.

-alle duister en gloed

van ’t beroofd firmament

wordt een brandend ferment

in het menselijk bloed.

zie, de aarde is rood

van den tragischen wijn;

’t paradijs een woestijn,

maar het schepsel wordt groot.

In dit gedicht, dat veel van zijn kerngedachten bevat, analyseert Marsman pijnlijk scherp de consequentie van het schepsel dat zich groot maakt; er blijven slechts duister en viezigheid over wanneer de hemel leeg wordt gezien. Het is geschreven midden in de 20e eeuw, waarin Europa met zijn idealen ten onder leek te gaan in bloed. Marsman preciseert in de derde strofe dat wanneer de mens, in navolging van Nietzsche, God dood

verklaart, er niets overblijft in het firmament. Er is dan slechts menselijk bloed. Er is geen wijn van het verbond maar tragiek, en van het paradijs blijft, hoezeer er ook naar verlangd wordt, slechts woestijn over.

Boekgegevens

Groots en meeslepend. Een keuze uit de gedichten, H. Marsman; uitg. Vantilt, 159 blz.; € 19,95.