”Goud in handen”: een minibibliotheek uit de christelijke traditie

W. Aalders. beeld EMG
7

Secularisatie van binnenuit gaat het orthodoxe christendom niet voorbij. Zou heroriëntatie op de bronnen een bijdrage kunnen leveren aan de strijd hiertegen, vroeg Bart Jan Spruyt zich af. Tegen die achtergrond is de publicatie ”Goud in handen” ontstaan.

Wat met innerlijke secularisatie bedoeld wordt is indringend aan de orde gesteld, of liever: aan het hart gelegd, in het jongste boek van prof. Herman Paul met de titel ”De slag om het hart” (2017). De directe aanleiding tot de uitgave van ”Goud in handen”, een bundel teksten uit de christelijke traditie, was evenwel de verschijning van twee artikelen een jaar eerder in het Nederlands Dagblad (september 2016). Daarin gaven twee predikanten, Kees van Ekris en Paul Visser, een scherpe en schurende analyse van de geestelijke malaise waarin kerk en cultuur zich bevinden.

Spruyt, onder wiens redactie de bundel verscheen, stelt met recht dat geen programma is opgewassen tegen deze crisis van innerlijke secularisatie, die zich wellicht als oordeel laat beleven, en die veel te diep zit dan dat een kunstgreep blijvend soelaas zou bieden. Waar Spruyt echter wel heil in kon zien, was een uitgave van een boek met tekstfragmenten uit de eigen traditie. Woorden die geneeskracht in zich bergen en die richtinggevend zijn.

Reformatorische opiniemakers

Wat hem voor ogen stond was een breed opgezet boek, waarin mensen van beiderlei kunne uit de volle breedte van de gereformeerde gezindte een tekst uit de geschiedenis van de kerk kozen die ze kostbaar genoeg achtten om door te geven. Ruim veertig van deze „reformatorische opinievormers”, zoals zij in de ondertitel heten, vond samensteller Spruyt bereid om dit idee te realiseren.

In een knappe inleiding met de titel ”Traditie als spiegel, medicijn en wegwijzer” stelt hij de centrale vraag aan de orde of een heroriëntatie op de bronnen van de eigen traditie een bijdrage zou kunnen leveren aan de strijd tegen de innerlijke secularisatie die ook orthodoxe christenen blijkt te bevangen. Na de inleiding volgt een omvangrijke bloemlezing van oudere en jongere teksten, die tot steun kunnen zijn op het steile pad dat wij in ons tijdsgewricht hebben te gaan. Telkens is zo’n tekst voorzien van een korte inleiding waarin degene die het fragment uitkoos aangeeft waarom hij of zij juist deze tekst van belang acht.

Hele bibliotheek

De lezer krijgt hier dus een hele bibliotheek in miniformaat in handen, met teksten uit een lange traditie, van eind vierde eeuw tot eind twintigste eeuw, van Augustinus tot Kievit. De teksten zelf zijn al even veelkleurig als de inleidingen die eraan voorafgaan. Doorgaans beperken de inleiders zich tot informatie die welkom en ter zake is, zonder zichzelf te etaleren. Sommigen gaan naar mijn inzicht deze perken hinderlijk te buiten.

De inleiders vormen trouwens een bont gezelschap, zowel kerkelijk als spiritueel. Dit neemt niet weg dat zij allen het gevoelen delen dat onze traditie een vitaliteit uitstraalt die tot op de dag van vandaag kan inspireren. Het is uiteraard ondoenlijk om in deze boekbespreking meer dan veertig bijdragen echt voor het voetlicht te halen. Toch wil ik er niet een ongenoemd laten.

Muzikaal intermezzo

Het was een goede greep van de redacteur om het veelvoud aan teksten te rubriceren in een zestal hoofdstukken, waarvan het vierde een muzikaal intermezzo vormt. Ze betreffen achtereenvolgens: Komen en geloven in Christus; De verkondiging van het Evangelie; Doop en avondmaal; Reformatie, katholiciteit en het moderne leven; Voorlaatste en laatste dingen. Daaraan vooraf gaat bij wijze van opening het ontroerende gedicht ”Vitellus” van Willem de Mérode, even ontroerend ingeleid door Els Florijn.

In het eerste hoofdstuk zijn rijke fragmenten geselecteerd van Augustinus, Rutherford, Fisher, Gray, Boston, R. Erskine, Edwards, J. Newton, Brakel, de Dordtse vaders, Myseras, Van der Groe, Kohlbrugge, Knap en Achterberg (het diepzinnige gedicht ”Bekering”). Opmerkelijk genoeg diende zich blijkbaar niemand aan die putte uit het overvloedige erfgoed van de hoge en late middeleeuwen, wat ik een omissie vind.

Bach

De thematiek van de Evangelieverkondiging biedt teksten van Luther (uit ”De Knechtelijke wil”), van Comrie, Smytegelt en W. Kremer. Over doop en avondmaal vallen fragmenten te lezen van De Brès, Immens en Ledeboer. In het muzikale tussenspel verrast Arjen Uitbeijerse de lezer met een fraaie bijdrage over Bachs sublieme, vroege cantate ”Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit”, ook wel de Actus tragicus genoemd, inclusief de integrale tekst.

In het hoofdstuk hierna, dat ”Reformatie, katholiciteit en het moderne leven” als leidraad heeft, zet Spruyt ons een kostelijk staaltje van Doornenbals pennenvruchten voor, leidt ds. P. den Ouden ons binnen in het mystieke gedicht ”Ego flos” van Gezelle en maakt dr. Mackay ons deelgenoot van waarlijk augustijnse fragmenten uit het dagboek van de mij volslagen onbekende Pieter van der Meer de Walch (ik bedwing de neiging om hieruit te citeren; zo mooi!).

Verder doet dr. Enny de Bruijn sober en zuiver verslag van een vroege leeservaring die zij opdeed onder de lectuur van het bekende boek ”De mantel” van Douglas, geeft Diederik van Dijk een prachtig fragment van Noordmans door en doet M. Langelaar-Verhoeks hetzelfde met gedeelten uit de aangrijpende preek ”Geloof bij de gratie Gods” van Miskotte. Erik Oevermans deelt een stuk dat Van Ruler ten voeten uit is, dr. Kunz laat het markante geluid van L. Kievit horen en dr. H. Klink leidt op een congeniale manier een fragment van zijn leermeester W. Aalders in.

Het slothoofdstuk gaat over de ”Voorlaatste en laatste dingen”, met treffende bijdragen van dr. Harry Paul, Kees van der Staaij (Groen), prof. Beatrice de Graaf (Augustinus), R. J. Jansen (ds. H. Hofman). P. A. Zevenbergen (Van Lodenstein), Cora Clements (Calvijns ”Gulden boekske”), ds. W. Visscher (Calvijns ”Institutie”) en Gert Nieuwenhuis (Van Duinkerken).

Klompjes goud

Is het alles goud wat er in deze bloemlezing blinkt? In ieder geval krijgt men geen hout, hooi of stoppels aangereikt – en naast zilver ook klompjes goud. Dat goud en zilver uit de traditie is geen ornament om op te bergen, evenmin versiering om mee te pronken. Het is ook niet een in letters gegoten formule, waarvan de lectuur ons munitie in handen geeft om de crisis te lijf te gaan.

Wat de traditie wél vermag, is hand- en spandiensten verlenen bij het lezen van de woorden Gods. Geen enkele crisis laat zich door lectuur bezweren, of het moest de lectio divina zijn, de meditatieve, door de Geest beademde lezing van het goddelijke Woord waarin een man als Luther vanaf zijn kloostertijd geschoold was en waaraan hij de vondst van zijn leven, van Het Leven, te danken had.

Ieder die in het geboekstaafde en verkondigde Woord geborgen en gedrenkt is, die doorstaat de crisis, de mondiale crisis van angst en dreiging, de existentiële crisis van Godsverberging en geloofsaanvechting, en zelfs de laatste crisis die ons allen wacht. Dankzij die Ene, het vleesgeworden Woord, Die de crisis, het oordeel Gods, plaatsbekledend heeft gedragen.

Boekgegevens

”Goud in handen. Teksten uit de christelijke traditie, gekozen door reformatorische opinievormers”, dr. B. J. Spruyt (red.); uitg. De Banier, Apeldoorn, 2018; ISBN 978 94 029 0664 6; 483 blz.; € 29,95.