Geschiedbeoefening in de negentiende eeuw

Johan Adriaan Feith was in 1891 een oprichter van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland (VAN) en het Gronings Museum van Oudheden. beeld Wikipedia
3

In de negentiende eeuw is de geschiedschrijving tot grote bloei gekomen. Hierbij wordt vooral gedacht aan de wetenschappelijke geschiedschrijving zoals die door geleerden als Fruin en Groen werd beoefend.

Historici als zij behoren tot het hooggebergte van het negentiende-eeuwse historische landschap en naar hen is altijd veel aandacht uitgegaan. Veel minder licht is echter gevallen op de betrekkelijk grote groep van geschiedbeoefenaars van wie nu veelal de naam niet meer gekend en gevonden wordt – die ijverig bronnen verzamelden en uitgaven, boeken schreven, in tijdschriften publiceerden, zich in genootschappen aaneensloten en musea en archieven beheerden. Het is op dit middengebergte van het historische landschap dat dit boek zich richt. Dit in de overtuiging dat deze geschiedbeoefenaars mogen gelden als middelmatige en juist daarom illustratieve vertegenwoordigers van de Nederlandse cultuur van het midden van de negentiende eeuw, een tijdvak waarover algemeen het oordeel van middelmatigheid geldt.

Voor de beschrijving van de betekenis van genootschappen voor de geschiedschrijving concentreert schrijver Pieter Huistra, universitair docent theorie van de geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, zich op het Historisch Genootschap te Utrecht, dat zich richtte op de vaderlandse geschiedenis en primaire bronnenstudie wilde bevorderen, het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Deze laatste twee waren oorspronkelijk breed opgezet, maar richtten zich in de loop der jaren meer en meer op de geschiedenis en zo werden genootschappen, waar men elkaar ook in een vriendschappelijke sfeer ontmoette, een van de bouwstenen van de geschiedschrijving. Even belangrijk waren de landelijke en regionale historische tijdschriften, waarvan er tot op de huidige dag twee nog altijd bestaan: het in 1829 opgerichte Archief voor kerkelijke geschiedenis (nu: Church history and religious culture) en de in 1836 opgerichte Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, een van de voorlopers van de huidige en nog steeds toonaangevende Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (BMGN – Low Countries Historical Review).

Aan de wieg van de historische tijdschriften, en dat gold voor heel het historisch bedrijf, stonden gedreven en erudiete mannen. Een van hen was Isaac Nijhoff, archivaris en boekverkoper, uitgever van de grote serie ”Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland” en oprichter en redacteur van de hierboven genoemde Bijdragen Nederlandse geschiedenis.

Historische opleiding

Tot de ijverige geschiedbeoefenaars behoorden ook de drie opeenvolgende generaties Feith, die veel hebben betekend voor het Groninger archiefdepot, en mensen als Anthonij Asch van Wijk en Cornelius Hermans, die betrokken waren bij respectievelijk het Noord-Brabants Provinciaal Genootschap en het Historisch Genootschap te Utrecht. Al deze mensen hadden geen specifiek historische opleiding –deze bestond toen nog niet, een aparte doctoraalgeschiedenisstudie zou er pas in 1921 komen– maar waren bewogen en betrokken beoefenaars van de vaderlandse geschiedenis, die voor hen geen dood verleden maar levende werkelijkheid was.

Naar schrijvers mening kunnen binnen de gemeenschap van negentiende-eeuwse geschiedbeoefenaren de circuits van bouwmeesters en zedenmeesters worden onderscheiden. De bouwmeesters, bezield van een groot vertrouwen in het bronnenmateriaal, dat schatten van historische kennis zou ontsluiten, waren gericht op verzamelen en inventariseren, verzorgden bronnenedities, catalogi en archiefinventarissen, en waren in de eerste plaats werkzaam in archieven en musea of schreven in Nijhoffs Bijdragen. Hun interesse ging vooral uit naar de gebeurtenissen als zodanig, naar details ervan, een vorm van geschiedbeoefening die, zo merkt de auteur op, iets antiquarisch heeft. Deze laatste term, al noemt hij hem niet, moet wel aan Nietzsche zijn ontleend, voor wie de antiquarische omgangsvorm met de geschiedenis, naast bewaring van het verleden, zich kenmerkt door eerbied en liefdevolle herinnering, en we mogen aannemen dat het de bouwmeesters aan deze niet heeft ontbroken.

Het tweede circuit van de geschiedbeoefenaars is dat van de zedenmeesters, die we vooral vinden in de genootschappen, aan de universiteiten en de Koninklijke Akademie. Voor hen was de eerbiedige en liefdevolle bewaring van het verleden niet genoeg, maar moest de geschiedenis een leermeesteres zijn die het karakter vormde, was zij een manier van leven, liet zij morele voorbeeldigheid zien, toonde zij de krachtige mannen van vroeger, aan wie de studenten een voorbeeld konden nemen, aldus hoogleraar Jorissen. Deze behandelde de geschiedenis als een voorvaderlijk erfdeel dat moest worden doorgegeven en riep zijn studenten op de zilverdraad van de ontwikkeling die zij van de vaderen hadden ontvangen verder te voeren. Woorden die geloof in de mogelijkheid van vooruitgang lieten zien. Eenzelfde optimisme sprak ook uit de opvatting van Van Heusde dat de geschiedenis „een hele ontwikkeling toonde van kind tot volwassenheid, die doorlopen kon worden en daarom de mogelijkheid bood om in ware beschaving oneindige vorderingen te maken.” Welke historicus zou dit nu nog willen zeggen? Niettemin woorden die we graag zouden willen geloven. Het boek van Huistra werpt licht op een categorie mensen die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de bloei van de Nederlandse geschiedschrijving en ons beeld van het verleden mede heeft bepaald.

Boekgegevens

Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830-1870, Pieter Huistra; uitg. Vantilt; 344 blz.; € 24,50