Geïnspireerd door de kerktoren van Zeist

Over de literatuur van haar tijd had mevrouw van Hoogstraten-Schoch een kort oordeel: ”Zeer bedenkelijk.” Haar eigen werk werd op soortgelijke manier door literatuurcritici bestempeld. Het deerde de gevierde auteur allerminst: schrijven zag ze vooral als roeping en de liefhebbers van haar familieromans waren er niet minder om.

Voordat de archiefbeheerder van het Zeister gemeentearchief de deur voor mij opendoet, onthult hij: ”Het gerucht ging hier in Zeist dat ze een verhouding had met de burgemeester.” Ik kijk hem verbaasd aan. Mevrouw Van Hoogstraten-Schoch? Een vrouw met zulke hoogstaande principes en idealen, die het christelijk geloof met zoveel verve uitdroeg? Het lijkt me een dorpsroddel. Gedurende de tijd dat mevrouw Van Hoogstraten gemeenteraadslid was in Zeist -haar echtgenoot leefde toen overigens niet meer- had zij ongetwijfeld de nodige contacten met de burgermeester, mr. C. J. baron van Tuyll van Serooskerken. Maar een verhouding? De dorpsroddel was wel zo concreet dat het stenen bizonechtpaar dat in die tijd in het Zeister bos werd geplaatst in de volksmond ”Jan en Amanda” werd genoemd. Ook is het vreemd dat Amanda in 1929 vrij plotseling naar Katwijk verhuisde en een eind maakte aan haar politieke werkzaamheden. Na vijf jaar keerde ze weer terug in Zeist.

Aangezien haar boeken doorspekt zijn met autobiografische gegevens, is in de roman ”Gouden Teugels” (1927) misschien een verklaring voor deze ’verhouding’ te lezen. In het boek is er sprake van een zakelijke, maar nauwe relatie tussen een getrouwde man en zijn compagnon, een vrouwelijke juriste. Hoewel er niets tussen hen is, is er toch iets dat haar, Rudi, te sterk wordt, dat aan haar leven knaagt en haar doet besluiten om voorgoed uit zijn leven te verdwijnen. ”Ze kon niet meer, ze gaf het op. Ze zou wel zorgen, dat ze Mark niet in opspraak bracht. (...) Als ze nog langer bleef, zou ze zijn leven bederven, zijn eer ondergraven, den goeden naam, dien hij onder de menschen had, hem ontrooven.” Mogelijk vatte mevrouw Van Hoogstraten liefde op voor de burgemeester, maar van een verhouding zal zeker geen sprake zijn geweest. Dan had ze in haar boeken niet zulke verheven idealen kunnen propageren. Dan had ze niet zo fel kunnen ageren tegen de ”geest der eeuw”, een geest van losbandigheid die door ”gouden teugels” van gezag en geloof moest ingetoomd worden. Dan was de kritiek pas echt losgebarsten en hadden haar critici een goed wapen in handen gehad...

Feuilleton

Amanda Augusta werd geboren in het grote, welgestelde gezin van generaal Schoch en jonkvrouwe Gevers Deynoot. Ze zegt een ”heerlijke jeugd” te hebben gehad. Aan tafel werd Frans gesproken en de kinderen hadden een Engelse en later een Duitse gouvernante. Amanda had als jong meisje maar één ideaal: schrijfster worden. Ze vertelde haar broertjes en zusjes verhalen en schreef versjes op. Toen kwam het grote moment dat ze, vergezeld door haar moeder, wat schetsen bij een schrijver ging brengen. Die zag er wel wat in, zodat de schetsen prompt in Elsevier’s Maandblad werden gepubliceerd. Het eerste succes was geboekt. ”Maar”, vertelt de schrijfster in een interview met P. J. Risseeuw, ”toen kwam het rijke, mooie, diepe, veelomvattende leven. Ik dacht nooit meer aan schrijven, ik dacht er maar aan om te leven.” Amanda Schoch trouwde met de hervormde predikant Gerard van Hoogstraten. Ze vestigden zich in Brummen, waar drie zoons ter wereld kwamen. In 1905 werd ds. Van Hoogstraten naar Zeist beroepen. Daar stond hij tot zijn dood in 1920.

In Zeist begon het schrijversbloed van de predikantsvrouw weer te kriebelen. Ze startte een feuilleton in de plaatselijke kerkbode. Na de laatste aflevering vroegen velen of het niet als boek gedrukt kon worden. En zo kwam in 1916 ”De grote levenswet” uit. Haar volgende feuilleton ”Kijkjes uit ’s levens venster” verging het evenzo. De bekende illustrator Cornelis Jetses maakte de omslag van het boek, waarbij hij zich liet inspireren door de eerste aflevering van de ”fullieton”, waarin Van Hoogstraten schrijft: ”Mijn straat wordt begrensd door twee wegwijzers. De eene steekt met druk gebaar zijn armen uit, en wijst vier kanten uit. De andere op wien ik van uit mijn raam altijd het gezicht heb, spitst in voorname, onbewegelijke rust omhoog, het is de oude kerktoren, de wegwijzer naar omhoog.”

Gezinsleven

Het beeld typeert deze domineesvrouw: ze wilde haar lezers de goede weg wijzen, de weg van het geloof in Christus. Dat zag ze als haar belangrijkste roeping en die is ze trouw gebleven. Ter gelegenheid van haar tachtigste verjaardag verscheen een interview in Trouw. Op de vraag of ze een zogenaamde tendensroman wilde schrijven of voor literair genoegen werkte, antwoordde mevrouw Van Hoogstraten: ”Geen van beiden. Ik had door mijn ervaringen wat door te geven en in vragend opzien tot God begon ik. Ja, dan had ik toch eigenlijk wel dit doel: het Evangelie te brengen en te laten zien dat dat de oplossing geeft voor de problemen die ik behandelde.” De romans volgden elkaar in hoog tempo op. Herdruk volgde op herdruk. In het bijzonder gold dit voor ”Gouden Teugels”, waarin Van Hoogstraten een christelijk tegenbeeld wilde geven van Jo van Ammers-Külers emancipatieroman ”De Opstandigen”. ”Gouden Teugels” werd in het Deens, Duits, Hongaars en Zweeds vertaald. In 1978 verscheen de twaalfde Nederlandse en de achtste Duitse druk. In 2002 konden de RD-lezers het als feuilleton in deze krant lezen.

Was het boek niet te verouderd, te pathetisch en te onwaarschijnlijk om geplaatst te worden? De feuilletoncommissie vond het ook wel moeilijk. Uiteindelijk gaf de doorslag dat het volgens ingewijden ”velen ten zegen is geweest voor hun maatschappelijk-zedelijk gezinsleven.” Onwaarschijnlijk in deze familieroman is de bekering van nota bene vijf (hoofd)personen. Rudi verandert van een moderne, zelfbewuste vrouw in een zoekende ziel, die stervende de Naam prevelt. Een brutale, flirtende tiener wordt een zachtaardig meisje. Een Amerikaans zakenman krijgt grote belangstelling voor het Boekje van Simsha en mondaine mensen veranderen van vijanden in vrienden. Spil van het verhaal is Simsha van de Werve, die letterlijk een ”heilige” wordt genoemd.

Valse romantiek

In andere romans zie je hetzelfde stramien terug, bijvoorbeeld in ”De slotvrouwe van Westwoude”. Een wijkverpleegkundige doet haar intrede in een afgelegen dorp. Hoewel velen bij voorbaat tegen haar komst zijn, weet ze ieders hart te winnen: stugge, hooghartige of lompe mensen veranderen in beminnelijke personen. Het is vooral de uitstraling en invloed van een blijmoedig christen die zulke veranderingen weet te bewerkstelligen. Literaire critici, ook zij die het christelijk geloof niet ongunstig gezind waren, hekelden de ”valse romantiek”, de onwaarachtige personages en het forceren van het geestelijke. ”Met litteratuur hebben deze boeken niets te maken, zij zijn uitgebreide tractaatjes.” Een ander: ”Het best ervaart men het tekort aan de dialoog. Niet levende wezens zijn aan het woord, maar mevrouw Van Hoogstraten-Schoch.” Maar lof was er ook. En een breed lezerspubliek, zelfs buiten eigen kring en over de grenzen heen. Ongetwijfeld was mevrouw Van Hoogstraten een ontwikkelde, belezen vrouw die veel van de wereld had gezien, onder meer omdat ze van reizen hield. Ook was ze actief als redactielid van de tijdschriften ”Onze Gids” en ”Christelijk Vrouwenleven”. Voor de Zeister Courant verzorgde ze een rubriek waarin allerlei actuele vrouwenzaken aan de orde kwamen, zoals ”de grote schoonmaak”. Ze adviseerde huisvrouwen: ”Heb vooral wat bloemetjes in een vaasje op tafel, al zijn het er maar twee of drie en spreek met uw man en kinderen over gezellige dingen, en zet alle gedachten uit uw hoofd over de kamer die nog niet klaar is en de kast die nog niet geboend is.” In de politiek kwam de energieke romancière terecht ”zonder het zelf te willen.” Via lezingen voor kiesverenigingen van de CHU kwam ze in het bestuur en vandaar op de lijsten van de gemeenteraad en de Provinciale Staten. Van 1923 tot 1929 was ze gemeenteraadslid in Zeist en gedurende drie jaar tevens lid van de provinciale staten van Utrecht.

Bijzondere bekoring

De bekendheid die Van Hoogstraten-Schoch genoot kwam tot uitdrukking toen ze in het Jaarbeursgebouw in Utrecht tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd benoemd. Het was ter gelegenheid van haar zeventigste verjaardag. Ze werd toegesproken door de minister-president in hoogst eigen persoon, jhr. mr. D. J. de Geer. Hij sprak van ”het geheim van de bijzondere bekoring” die van haar uitging, namelijk dat ze grote begaafdheid en wilskracht paarde aan eenvoud en openheid van karakter.

In een bescheiden dankwoord zei Van Hoogstraten dat ze haar werk, ondanks kritiek, met liefde gedaan had, ”steeds denkende aan de laatste woorden van mijn man: ”Vergeet niet dat God je dat werk op de handen heeft gelegd.”