Eigentijdse dogmatiek van Robert Letham

2

In de dogmatiek wordt op systematische wijze de inhoud van de Schrift weergegeven en geanalyseerd met het oog op het doorgeven van de Bijbelse boodschap. Dat gebeurt bewust in relatie met de kerkgeschiedenis.

Omdat de inhoud van de Schrift wordt onderzocht met het oog op de verkondiging, houdt dit in dat een goede dogmatiek ook een actuele spits heeft. Dat betekent dat er behoefte blijft aan eigentijdse dogmatieken. Een voorbeeld daarvan is die van Robert Letham, presbyteriaans predikant en hoogleraar systematische en historische theologie aan Union School of Theology in Bridgend, Wales.

Drie-eenheid

Belangrijker dan de ordening van de stof is wat concreet wordt gezegd. Dat maakt de ordening niet onbelangrijk. Klassiek is dat de Drie-eenheid als uitgangspunt wordt genomen: God de Vader en de schepping, God de Zoon en de verwerving van het heil, God de Heilige Geest en de toepassing van het heil. In dat licht komt ook de kerk naar voren. Begrijpelijk is dat geëindigd wordt met de eschatologie.

Dit alles vinden we terug bij Letham. Na een hoofdstuk over de openbaring komt bij Letham allereerst de Godsleer ter sprake en dan pas de Schriftleer. Bij de Godsleer opent Letham met de Drie-eenheid. Die volgorde is niet algemeen. Vaak wordt mede om didactische redenen de Schriftleer voor de Godsleer behandeld. Letham doet het omgekeerde, om zo te laten uitkomen dat de Schrift ons een venster geeft op de drie-enige God. Alleen als we God zo kennen, zien we de Schrift in het juiste licht.

Het feit dat Letham de Godsleer voor de Schriftleer behandelt, betekent bij hem niet dat hij de Schrift als het Woord van God ook maar enigszins relativeert. Zonder reserve belijdt Letham de ”inerrancy”, een woord dat wij in de Europese context het beste met ”onfeilbaarheid” kunnen weergeven. Terecht zegt hij dat wij geen tegenstelling mogen maken tussen geloof dat de Bijbel het Woord van God is en geloof in Christus. Wie ten aanzien van de Schrift zelf afwijkt van zijn zelfgetuigenis, zal ook anders tegen de inhoud van de Bijbelse boodschap aankijken.

Letham is een groot kenner van de Vroege Kerk. Dat blijkt bij zijn behandeling van de leer van de Drie-eenheid en meer nog bij de christologie. Uitvoeriger dan in een dogmatiek van deze omvang het geval pleegt te zijn, schenkt hij aandacht aan de Persoon van de Heere Jezus Christus. Uitdrukkelijk vraagt hij daarbij –evenals trouwens bij andere thema’s– aandacht voor de zienswijze van de oosterse orthodoxie. Ook daarin onderscheidt deze dogmatiek zich van andere dogmatieken.

Zonder reserve houdt Letham vast aan de historiciteit van Adam als de eerste mens. De gedachte dat Adam een vertegenwoordiger is van een reeds bestaande clan mensen, acht hij bezwaarlijk. Terecht stelt hij dat de aanvaarding van Adam als de eerste mens allereerst een zaak is van geloof. Het opgeven daarvan kan niet anders, zo zegt Letham, dan gevolgen hebben voor zowel de christologie als de soteriologie.

Hij wijst de visie van de Zwitserse theoloog Karl Barth af, namelijk dat wij de schepping van de mens naar Gods beeld al moeten zien in het licht van de menswording van Christus. Daarmee hangt samen dat bij Barth alle mensen in Christus verkoren zijn. De logische consequentie van deze positie is de alverzoening. Barth ziet dat wel als mogelijk maar wil niet uitspreken dat deze conclusie noodzakelijk is.

Letham gaat hier andere wegen. Nadrukkelijk houdt hij vast aan de realiteit van de eeuwige rampzaligheid. Hij wijst de gedachte dat de hel slechts tijdelijk zou zijn van de hand. Een christen kan en mag de eeuwige rampzaligheid niet van de hand wijzen, maar hij ziet er niet naar uit zoals hij uitziet naar het nieuwe Jeruzalem.

Heilsorde

Met veel genoegen las ik wat Letham schrijft over de orde van het heil. Hij sluit hier nauw aan bij John Murray, de eerste dogmaticus van Westminster Theological Seminary in de Verenigde Staten. Heel de orde van het heil beziet hij vanuit de vereniging met Christus. De prediking is het door Christus ingestelde middel om de toepassing van het heil te realiseren. Op de vraag of de prediker van het wedergeboren zijn dan wel niet wedergeboren zijn van zijn hoorders moet uitgaan, geeft hij als antwoord: geen van beide. Gemeenteleden zijn zondaren die Christus nodig hebben.

Ten onrechte stelt Letham dat geen enkele gereformeerde dogmatiek de kerkleer voor die van de toe-eigening van het heil behandelt. Brakel doet dat nu juist wel in zijn ”Redelijke godsdienst”. Zelf bespreekt Letham de kenmerken van de kerk voor de orde van het heil en de eigenschappen van de kerk en de ambten erna. Heel overzichtelijk wordt het verschil tussen de episcopale, presbyteriaanse en congregationalistische visie op de kerk en de ambten besproken. In de praktijk blijken de grenzen meer dan eens vloeiend te zijn.

Gezien het feit dat Letham als het gaat om de Schriftleer, de historiciteit van de zondeval en de leer van de verkiezing bepaald niet met Barth meegaat, kan ik niet begrijpen dat hij in andere contexten juist Barth of zijn Schotse geestverwant T. F. Torrance het woord geeft.

Het moge duidelijk zijn dat de dogmatiek van Letham iets toevoegt aan reeds bestaande dogmatieken. De kritische opmerkingen die ik maakte, nemen niet weg dat ik deze dogmatiek vooral met waardering heb gelezen.

Systematic Theology, Robert Letham; uitg. Crossway; 1072 blz.; $ 50,00