Eginald Schlattner: een lutherse Saksische predikant en schrijver in Roemenië

Eginald Schlattner: „Ben ik gelovig? Ach… mijn geloofsbelijdenis komt niet verder dan: ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp.” beeld Gerrit van Dijk
11

Als 10-jarige inwoner van de Roemeense stad Fogarasch zweert Eginald Schlattner (1933) trouw aan Hitler. Als 19-jarige gaat hij theologie studeren met één doel: bewijzen dat theologie hocus pocus en enkel volksverlakkerij is.

De rebelse hemelbestormer belandt in een psychiatrische kliniek, vervolgens in een Roemeense Securitate-gevangenis, waar hij twee jaar lang het daglicht niet ziet. In die Securitate-cel krijgt hij van Godswege een roeping tot predikant. Als hij dat eenmaal is, vlucht hij in de verbeelding en bewerkt zijn bewogen leven tot literaire fictie.

De waardering voor Eginald Schlattner als schrijver staat buiten kijf. Over zijn persoon lopen de meningen uiteen. Boze tongen beweren dat hij een verklikker was. Deze week verschijnt bij uitgeverij Aldo Manuzio zijn eerste roman, ”De onthoofde haan”, in het Nederlands.

De 86-jarige Eginald Schlattner is luthers predikant in Roşia of Rothberg, een dorp vlak bij de Roemeense stad Sibiu (Hermannstadt). Hij is een van de weinige overgebleven Saksen in Roemenië. „De aanwezigheid van Saksen is hier alleen nog van de grafstenen af te lezen. Zelfs de doden sterven hier uit”, zegt Schlattner, gezeten in zijn schommelstoel in de huiskamer van de eeuwenoude pastorie. Met theatrale gebaren en in Duitse volzinnen vertelt de predikant over de rampspoeden die de Saksische minderheid in Roemenië troffen. „Hier in het dorp zijn nog drie stokoude Saksen overgebleven, mijzelf inbegrepen. Wie zal de laatste Saks begraven? Geruisloos zijn de Saksen uit de geschiedenis van Roemenië verdwenen en daarmee ging een traditie van 850 jaar Saksische cultuur in Roemenië verloren.”

Saksen zijn er al vanaf de middeleeuwen in het gebied rondom de steden Sibiu, Braşov, Mediaş, Sighisoara en Bistriţa. Zij zijn voluit Roemeense staatsburgers, maar behielden als minderheid hun Duitse taal en Saksische tradities. Zij hanteren Duitse namen, zij noemen de provincie Transsylvanië Siebenburgen, de stad Sibiu is Hermannstadt en het dorp Roşia (13 kilometer van Sibiu) is Rothberg.

De kerk van Rothberg uit 1225 is een ”weerkerk”, in letterlijke zin een beveiligd toevluchtsoord. Sinds 1978 is Schlattner predikant van deze evangelisch-lutherse gemeente. Toen na 1990 bijna alle Saksen naar Duitsland vertrokken, bediende Schlattner jarenlang de lutherse mis in een geheel lege kerk. Inmiddels is hij niet meer alleen. Al vanaf zijn intrede in 1978 heeft hij de deuren van kerk en pastorie wagenwijd opengezet voor iedereen: Saks, zigeuner en Roemeen.

Zigeuners

De laatste jaren zijn enkele zigeuners vaak de enige kerkgangers, die dan nadien in de pastorie welkom zijn. Schlattner zegt ”zigeuners”, want de term ”Roma” is volgens hem een kunstmatige EU-uitvinding. Over de ”tzigani” zegt hij: „Dat zijn van die blijde, onbezorgde kinderen van God, zij leven bij de dag zoals de vogelen van de hemel en de leliën van het veld.” De zigeuners noemen Schlattner de ”popa saşilor” (Saksische pope). Voor hen spreekt hij preek en zegen niet meer in het Duits maar in het Roemeens uit.

Het boek ”De onthoofde haan” is het eerste deel van de trilogie ”Verdronken gezichten” (”Versunkene Gesichter”). De roman draait om de dramatische gebeurtenis van 23 augustus 1944, toen Roemenië in plaats van voor de Duitsers voor de geallieerden koos. De Saksen werden vanaf toen gezien als collaborateurs en spoedig daarna in veewagons naar werkkampen in Oekraïne en Rusland afgevoerd. Schlattner, die toen 11 jaar was, beschrijft dit drama in ”De onthoofde haan” vanuit het perspectief van een 14-jarige ik-verteller.

Het tweede deel, ”De piano in de mist”, gaat over de periode van 23 augustus 1944 tot aan Schlattners arrestatie door de gevreesde geheime dienst, de Securitate. In het communistisch geworden Roemenië moest de familie Schlattner toezien hoe ”proletariërs” hun villa leegroofden en alles –ook de piano– in de tuin smeten. Dit beeld van de piano in de ochtendmist werd voor Eginald Schlattner onuitwisbaar en hij koos dit als titel van zijn tweede roman, die hij als zijn beste werk beschouwt.

In het derde deel, ”Rode handschoen”, verwerkt Schlattner op literaire wijze de twee jaar gevangenschap in de Securitate-cel in Braşov met veel verhoren en zonder de buitenlucht in te kunnen ademen.

Ironisch

De romans zijn vertaald in het Hongaars, Roemeens, Pools, Spaans, Portugees en Russisch. Marianne van Reenen vertaalde ”De onthoofde haan” in het Nederlands. In dit boek beschrijft Schlattner het afscheidsfeest van de eindexamenklas van de Duitse school in Fogarasch. In kleurrijke taal, soms ironisch, schildert hij de multiculturele samenleving van Fogarasch, waar Joden, Saksen, Hongaren, Roemenen en zigeuners probleemloos naast elkaar leven. Uit het boek blijkt dat sommigen uit Schlattners familie nazistische sympathieën koesterden.

Veel Saksen vertrokken, maar Schlattner bleef. Waarom? De predikant-schrijver citeert de uitspraak van een Securitate-officier: „Men verlate het land van het lijden niet, maar blijft en zorgt dat het lijden het land verlaat.” Voor Schlattner is dat een levensmotto geworden.

In ”De onthoofde haan” is 23 augustus 1944 cruciaal. Waarom die dag?

Schlattner: „In de eerste oorlogsjaren was Roemenië pro-Duits. Toen de Roemeense koning Michaël I op 23 augustus 1944 Duitsland de oorlog verklaarde en voor de geallieerden koos, verkortte hij de Tweede Wereldoorlog met zes maanden. Daardoor konden koningin Wilhelmina en prinses Juliana zes maanden eerder naar Nederland terugkeren (Schlattner blijkt de Nederlandse geschiedenis te kennen, GvD). Tijdens de oorlog sympathiseerden de Zevenburger Saksen met Hitler, maar toen Roemenië van front veranderde, werden zij als ”Volksduitsers” collaborateurs.”

Was u een bewonderaar van Hitler?

„In Fogarasch, waar ik opgroeide, waren veel Duitstalige inwoners gefascineerd door het Groot-Duitse Rijk. Ja, ik ook. Als 10-jarige knaap voegde ik mij bij de Hitlerjeugd en legde de eed af op de Führer in Berlijn. Ik deed toen geen confirmatie (belijdenis) in de Lutherse Kerk, want ik besefte dat dit niet strookte met die eed op Hitler. Die nazisympathie ligt als een schaduw over mijn jeugd. Mijn vader was anders. Die weigerde het bord ”Aan Joden wordt niet verkocht” op te hangen. Enkele tantes, echt van die ”Heil Hitler-tantes”, brachten bij het zien van een uniform de Hitlergroet, ook nog toen de Russische soldaten in Fogarasch kwamen.”

Hoe biografisch zijn uw romans?

„Niet een-op-een, maar wel zo herkenbaar dat mijn familie flink geïrriteerd was. Maar al hebben de boeken biografische trekken, toch transponeer je als romanschrijver de gebeurtenissen en personages om die te modelleren naar een verbeelde werkelijkheid. Zo wilde ik echte liefde beschrijven en daarom moest ik mijzelf en mijn klasgenoten zo’n vier jaar ouder maken. In het gezin was ik de oudste, maar in de roman is mijn fictieve broer Engelbert de oudste.”

Als student in Cluj werd u marxist. Waarom?

„Ik had mijn burgerlijke lutherse opvoeding losgelaten en werd een communist die gefascineerd was door het ideaal: iedereen brood en geen kind huilt. Ik begon in 1952 aan de theologiestudie met maar één doel: te bewijzen dat kerk, geloof en theologie hocus pocus en volksverlakkerij zijn. Met Schopenhauer en Nietzsche onder de rechterarm en Marx en Stalin onder mijn linkerarm meende ik als 19-jarige Godloochenaar een eeuwenoude traditie van christendom omver te kunnen gooien. Bisschop Müller wilde mij van het seminarie sturen omdat ik mijn medestudenten dol zou maken. Dat pakte anders uit. De woorden van Psalm 139 achtervolgden mij obsessief: God is overal, je verbergen voor Hem is onmogelijk. Ik kwam in een psychiatrische kliniek, waar ik horrorbehandelingen onderging, een combinatie van elektroshocks met insulinecoma. Psychiaters die het nu horen kunnen het nauwelijks begrijpen. In Cluj studeerde ik kort wiskunde en daarna hydrologie, waterhuishoudkunde.”

In die tijd had Eginald Schlattner een goede studievriendin: Marianne Siegmund. Zij bezocht hem dagelijks in de kliniek en bleef luisteren naar zijn ononderbroken woordenstroom. Later, toen Schlattner zijn Securitate-dossiers opvroeg, ontdekte hij dat Marianne informant was voor de Securitate. Als romanpersonage heet zij Annemarie Schönmund.

U bent luthers opgevoed. Was u gelovig?

„Het lutheranisme was meer een kwestie van folklore en Saksische identiteit, zoals in het boek beschreven. Met Kerst en feestdagen ging je naar de kerk, maar dat was meer traditie dan geloof. Als student kon ik mij geen transcendente God voorstellen. In het Securitate-cellencomplex van Braşov kwam een ommekeer. Daar werd ik in 1958 door God geroepen tot het ambt. In Roemenië zien sommigen mij als verrader. In deze zin ben ik een dubbele verrader: eerst verried ik mijn afkomst toen ik communist werd, vervolgens verried ik het communisme door predikant te worden. Pas in 1973 kon ik gehoor geven aan mijn roeping en begon ik als 40-jarige aan de theologiestudie. Ben ik gelovig? Ach… mijn geloofsbelijdenis komt niet verder dan: ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp.”

Toch zijn uw boeken doorspekt met Bijbelcitaten.

„Ja, dat element is ook door veel recensenten opgepikt. Uit mijn veelvuldig citeren van de Bijbel blijkt dat ik Gods Woord niet als dode maar als levende werkelijkheid zie. De Bijbelse geschiedenissen zijn niet gelijk te stellen met legenden, mythen en sagen. De Bijbel is levensecht en de Bijbelse woorden hebben uitwerking op ons dagelijks leven. In mijn romans verbind ik veel situaties met Bijbelteksten.”

U bent theologisch geschoold en uw boeken gaan over levensvragen als ”schuld en boete” en ”vergeving en verzoening”. Zijn uw werken christelijke romans?

„Mijn boeken zijn enkel literaire werken en geen religieuze romans, zoals ook algemeen door de literaire kritiek is gesteld. Een schrijver moet geen uitleg geven in zijn boek maar enkel bezig zijn met het schilderen van de gang van zaken zonder daarin reflecties te vervlechten. De interpretaties en reflecties laat ik over aan deskundigen, de boekrecensenten, literatuurbeschouwers, theologen en filosofen of iedere mondige lezer die het geschrevene mag interpreteren en verwerken.”

Sommigen zien uw boeken als een poging tot zelfrechtvaardiging of een manier om met het verleden in het reine te komen. Zijn zij een vorm van schuldbelijdenis, boetedoening of wiedergutmachung?

„Nee, dat woord boetedoening is te zwaar theologisch beladen. Ikzelf spreek liever over ootmoed en dienstbaarheid voortkomend uit de wil tekortkomingen goed te maken. Als voormalig politiek delinquent en veroordeelde, bleef ik een gestigmatiseerde die door diepe vernederingen moest. Ik deed als academicus lopendebandwerk, pas in 1973 kon ik als 40-jarige de theologiestudie oppakken. Toen ik in 1978 luthers predikant van Roşia/Rothberg werd, voorspelde men vanuit het bisschopskantoor: „Langer dan een jaar duurt dit niet, de zigeuners zullen hem bestelen en nationalistische Roemenen gooien zijn ruiten in.” Na de grote uittocht van de Saksen preekte ik in een lege kerk.”

Schrijversproces

In december 1957 wordt Eginald Schlattner in Cluj door de Securitate gearresteerd. De literaire club waartoe hij behoorde werd verdacht van landverraad of het plannen van staatsvijandige activiteiten. Opgesloten in de Securitate-gevangenis van Braşov zonder gelucht te worden, weigert Schlattner „belastende verklaringen” te geven over zijn literaire vrienden in Cluj. Na vier maanden van afmattende verhoren meldt hij zich om een verklaring af te leggen. Volgens Schlattner werd dit besluit genomen in een uiterste grenssituatie en na een ontzettende gewetensworsteling om dan alleen waarheidsgetrouwe informatie te geven.

In het beruchte ”schrijversproces van 1959” wordt de uitgemergelde, geboeide Schlattner uit de gevangenis gehaald om voor de rechtbank te getuigen. Vijf Duitstalige schrijvers worden veroordeeld. Schlattner was eerder, in december 1958, wegens „het niet aangeven van landverraad” veroordeeld. Na zijn vrijlating vroeg Schlattner iedere benadeelde persoonlijk vergeving voor het aangedane leed.

Zijn roman ”Rode handschoen”, bedoeld als oprechte poging tot verzoening, bewerkte het tegendeel. De enige nog in leven zijnde schrijver van dat proces, Hans Bergel (tegenwoordig woonachtig in München), haatte Schlattner nog meer en bleef onverzoenlijk, ondanks meerdere verzoeningspogingen van Schlattner.

Het schrijversproces en het aandeel van Schlattner daarin zijn uiterst ingewikkeld en nog altijd onderwerp van debat. Dr. Michaela Nowotnick van de Humboldt Universiteit Berlijn schreef hierover een proefschrift.

In zijn laatste boek, ”Wasserzeichen” (2018), schrijft Schlattner, terugziende op zijn leven: „Alleen de liefde Gods kan een menigte van zonden en schuld bedekken.”

Boekgegevens

De onthoofde haan, Eginald Schlattner (vert. Marianne van Reenen); uitg. Aldo Manuzio; 528 blz.; € 24,99

Eginald Schlattner

Norbert Eginald Schlattner wordt op 13 september 1933 in Arad (Roemenië) geboren. Hij groeit op in Fogarasch. Vanaf 1952 studeert Schlattner in Cluj. Na een opname in een psychiatrische kliniek (december 1957) verblijft Schlattner van december 1957 tot januari 1960 in de Securitate-gevangenis van Braşov. Na een periode waarin hij als fabrieksarbeider werkt, haalt hij in 1969 zijn ingenieursdiploma hydrologie. In januari 1963 trouwt Schlattner met Susanna Dorothea Ohnweiler. Vanaf 1978 is Schlattner luthers predikant, vanaf 1991 gevangenispredikant. In 2018 verleent de Babeş-Bolyai-universiteit (Cluj) hem een eredoctoraat. De trilogie ”Verdronken gezichten” verschijnt tussen 1990 en 2005.