Een genuanceerder beeld van Willem van Oranje

Ruiterportret van Willem van Oranje in de Troonzaal van het Paleis op de Dam. beeld Koninklijk Paleis Amsterdam
3

Een nieuw boek over Willem van Oranje sla ik altijd met een zekere interesse open. Maar ook met een zekere aarzeling. Ik zet me zelfs een beetje schrap, omdat ik niet weet wat me te wachten staat.

Ik ben ermee vertrouwd geraakt dat literatuur over de prins weinig tot niets heel laat van het traditionele beeld. Vanouds werd de prins gezien als een bijzonder staatsman en diplomaat, die in een tijd van repressie het vooral te doen was om de vrijheid om het Woord van God te preken en de vrijheid van geweten, waarbij zijn volhardend geloof hem de kracht gaf om iets daarvan al tijdens zijn leven te bereiken.

Van dit beeld is in de twintigste eeuw zo goed als niets overgebleven. Oranje werd de bon vivant, de grote opportunist ook, die het kaartspel van de politiek goed speelde. Een dieptepunt was de film over de prins in 1984 met Rutger Hauer als hoofdpersoon. Nog erger maakten Aron Brouwer en Marthijn Wouters het enkele jaren geleden. Zij typeerden Oranje als „een dictator, die veelal buitenlandse soldaten op pad stuurde om de Nederlandse bevolking te onderdrukken”, iets wat hen veel belangstelling opleverde in de media.

Genuanceerder

Historicus dr. Ronald de Graaf komt in zijn recente biografie over Oranje tot een veel genuanceerder oordeel. De stijl van het boek is levendig. Zijn kennis van de bronnen maakt dat het boek betrouwbaar overkomt. De auteur verstaat bovendien de kunst om ingewikkelde kwesties eenvoudig uit te leggen en mis-interpretaties te weerleggen.

Wat dit laatste betreft: in 2007 schreef Leo Adriaenssen zijn dissertatie ”Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch”. Adriaenssen ziet in Oranje de „schuldige in een genocidale oorlogvoering.” Dit op grond van doelbewuste plunderingen en uitbuiting van het Staatse leger, waarvan de Staten wisten.

Adriaenssen had in het licht van het geheel van Oranje’s leven voorzichtig moeten zijn met het trekken van deze vergaande conclusie. Zo heeft Oranje zich ervoor ingespannen dat de geuzenleider Lumey gestraft zou worden voor het geweld dat hij in 1572 gebruikte tegen de rooms-katholieke geestelijkheid. Na de eerste moordaanslag, toen hij meende te zullen gaan sterven, fluisterde hij: „Handel toch zacht met de moordenaar, ik heb het hem al vergeven.”

Niet geprotesteerd

Zo zou er veel meer te noemen zijn. Hoe is het mogelijk dat Oranje in 1583 een „genocidale oorlogvoering” zou hebben bevorderd? De Graaf constateert dat Oranje geen enkel initiatief in die richting heeft genomen. Hij heeft er ook niet tegen geprotesteerd. Valt dit laatste hem aan te rekenen? De Graaf: „...of hij daadwerkelijk in kennis is gesteld is onzeker, want het besluit werd op 10 juni 1583 genomen en opgetekend, maar in de brief die Willem vier dagen later in Antwerpen ontving werd met geen woord over de operatie gerept. In de brief verweet men hem zijn afwezigheid in het noorden en wezen ze hem op de gevolgen van de oorlog. (...) Latere berichten dateren pas uit augustus en gaan niet over dit onderwerp, dus het bewijs dat hij in kennis gesteld was, ontbreekt. Andriaenssen is dus wel heel stellig en in het licht van het overige optreden van Oranje had hij tot heel andere conclusies kunnen en moeten komen.”

Toch betaalt ook De Graaf hier en daar zijn tol aan het moderne beeld van Oranje. Met een zekere graagte lijkt hij op te diepen wat bekend is van de amoureuze avonturen van de prins. De gegevens daarover zijn vaag en hebben allemaal betrekking op de tijd waarvan Oranje zegt dat hij nog vrij onverschillig in het leven stond: de tijd vóór midden 1559. Ook De Graaf zegt dat in dat jaar de omslag bij uitstek in Oranjes leven plaatshad.

Maar de diepte van die omslag ontgaat hem toch. Dat de prins innerlijk veranderde, zich niet alleen op de religiekwestie oriënteerde, maar op God zelf – daaraan besteedt hij weinig woorden. De amoureuze avonturen beginnen vanaf 1559 op de achtergrond te raken.

Erasmus

Als De Graaf spreekt over het pleidooi van de prins voor tolerantie in godsdienstzaken, verwijst hij naar Erasmus. Dit is bijna een must. Hij meldt niet dat niet alleen Erasmus oog had voor het geweten en de betekenis van godsdienstvrijheid. Dat gold ook voor Luther. En het gold zeker ook voor calvinisten als Viret, Junius, Taffin, Villiers, de Frans-sprekende calvinisten voor wie Blandine Kriegel in een studie over Oranje (die De Graaf niet noemt) terecht veel aandacht vraagt. Aan hun invloed wijdt De Graaf nauwelijks een woord.

Dan is het er het geloof van Oranje. De Graaf weet er niet goed mee om te gaan. Als hij Juliana van Stolberg citeert, die haar zoon in een brief wijst op de betekenis van het gebed, zegt hij ietwat badinerend dat „deze vrome brief” Oranje bereikte „net toen de inwoners van Holland waren opgeroepen om twee dagen te vasten om de toorn van God af te wenden.” Hij laat erop volgen: „Maar zelfs bidden helpt niet, want een maand later zou...” etc.

Als hij zes bladzijden verder de prins citeert die rondom het beleg van Alkmaar de wanhopige bevolking erop wijst dat hij een „verbond heeft gesloten”, niet met koningen maar met God, verzuimt De Graaf te vermelden dat de hoop op God niet tevergeefs was: Alkmaar werd als door een wonder ontzet. Iedereen beleefde dit zo. Het was een keerpunt in de strijd met Spanje! Waarom het één wel benadrukken (op ietwat spottende toon) en het andere niet?

Wilhelmus

Zo zou er meer te noemen zijn. Aan Marnix van St. Aldegonde besteedt De Graaf betrekkelijk weinig aandacht. Aan het Wilhelmus evenmin. Hij had het volkslied kunnen noemen toen hij memoreerde dat de bevolking van Antwerpen hem in 1577 met groot onthaal als een tweede Mozes en David binnenhaalde – de betekenis daarvan is bijvoorbeeld Simon Schama niet ontgaan.

Tot slot. De Graaf maakt duidelijk dat het gesprek van de prins met de koning van Frankrijk in de zomer van 1559 in het Bois de Vincennes de grote omslag vormde in het leven van de prins. Hij aanvaardt het relaas ervan als historisch. Dat was tot twintig jaar geleden niet (meer) gangbaar. Vooral de ontdekking van de Printzische Entschuldiging uit 1568 (niet Entscheidung, zoals De Graaf schrijft) heeft de doorslag gegeven dit gesprek als historisch te aanvaarden.

Dit laatste document komt in grote lijnen overeen met de Apologie van 1581, zoals De Graaf opmerkt. Welnu, de teneur van beide geschriften is dat de prins de opstand is begonnen vanwege (christelijk) medelijden. Dit laat De Graaf te weinig tot zijn recht komen. Het vormt de rode draad in Oranjes leven. Verder komt niet echt uit de verf dat –zoals Oranje zelf zegt– zonder de calvinisten de opstand zeker mislukt zou zijn. De Graaf noemt het citaat, maar doet er niet veel mee. Waarbij opgemerkt moet worden (om een ander misverstand te voorkomen) dat de calvinisten geen rebellen waren – iets wat Calvijn in zijn inleiding op de Institutie in alle toonaarden duidelijk maakt.

Motief

De Graaf schreef een boeiend en leerzaam boek. Dat geldt in zekere zin ook voor de publicatie ”Willem van Oranje. de jonge prins als edelman en militair” van drs. Jeroen Punt en dr. Louis Ph. Sloos. Wie geïnteresseerd is in militaire geschiedenis vindt in dit boek veel wat hem boeit.

Wat betreft het motief van Oranje om zijn strijd tegen Spanje aan te gaan, komen de auteurs niet verder dan enkele gemeenplaatsen. Het ging Oranje om gewetensvrijheid, maar „hierbij verloor hij uiteraard ook zijn persoonlijke belangen niet uit het oog.” Het lijkt erop alsof een dergelijke kanttekening wel geplaatst moet worden!

De ene auteur spreekt de andere na, ook wat Oranjes motivatie betreft. Dat Oranje al zijn bezittingen over had voor de strijd tegen Spanje en dat hij naar eigen zeggen een verbond had gesloten had met de Potentaat der Potentaten, kun je, zo lijkt het, in de 21e eeuw nauwelijks serieus nemen. Terwijl Oranje het zelf zegt.

Boekgegevens

”De Prins. Willem van Oranje 1533-1584”, Ronald de Graaf; uitg. Karmijn, Elburg, 2018; ISBN 978 94 921 6819 1; 336 blz.; € 29,95;

”Willem van Oranje. De jonge prins als edelman en militair”, drs. Jeroen Punt en dr. Louis Ph. Sloos; uitg. Walburg Pers, Zutphen, 2018; ISBN: 978 94 624 9287 5; 192 blz.; € 19,95.