Duurzame voedselproductie: een enorme opgave

Amanda Little wil bij de voedselvoorziening de wijsheid van het verleden combineren met de vindingrijkheid en innovatie van het heden. beeld ANP
2

Tot 2050 wordt in de vraag naar voedsel een stijging van 70 procent verwacht. Dat terwijl door klimaatverandering en milieuvervuiling een toename in productie steeds moeilijker wordt.

Hoe de wereldbevolking dan te voorzien van voldoende voedsel en dat ook nog eens duurzaam? In ”Wat schaft de toekomst?” geeft Amanda Little, hoogleraar onderzoeksjournalistiek in Amerika, antwoord op die uitdaging in de vorm van ervaringen die ze opdeed bij haar reizen over de hele wereld.

De stijgende voedselvraag de komende dertig jaar is enerzijds een gevolg van de verwachte toename in de wereldbevolking tot circa 10 miljard mensen. Daarnaast verandert naar verwachting het dieet op wereldschaal in de richting van meer zuivel en vlees. Dat geldt dan niet zozeer voor het Westen, waar de vleesconsumptie enorm hoog is, maar veelal voor zeer dichtbevolkte opkomende landen als India en China. Dat vereist óf meer land óf een hogere productie per hectare, omdat een groot deel van de verbouwde gewassen dan aan dieren wordt gevoerd.

In de afgelopen zestig jaar is door de zogenaamde groene revolutie de voedselproductie ongeveer verdrievoudigd, terwijl de bevolking toenam met een factor 2,5: van circa 3 miljard mensen in 1960 tot ruim 7,5 miljard mensen in 2020. Zoals Little aangeeft produceert de landbouw per wereldbewoner nu 800 calorieën meer per dag dan aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. De groene revolutie lijkt dus een succesverhaal dat gezorgd heeft voor meer graan, groente, fruit en vlees en ook goedkoper dan ooit tevoren.

Maar dat verhaal heeft ook schaduwzijden, die Little helder uiteenzet in het eerste hoofdstuk van haar boek. De voedingskloof tussen rijke en arme bevolkingsgroepen is groter geworden. Meer dan 800 miljoen mensen zijn nog steeds ondervoed terwijl ruim een miljard mensen overvoed zijn, met een sterke toename van obesitas als gevolg. In Littles woorden hebben goedkoop voedsel en een lange toeleveringsketen ook geleid „tot een pandemie van verspilling.”

Het enorme waterverbruik in de landbouw leidt op veel plaatsen tot waterschaarste. Overschotten aan meststoffen die in meren en oceanen terechtkomen hebben daar „geleid tot algenbloei die leven in en onder water verstikt.” Chemische bestrijdingsmiddelen of pesticiden, die worden gebruikt om ziekten of onkruiden in monoculturen in de landbouw te bestrijden, zijn „funest geweest voor de bacteriële activiteit in de bovenste grondlaag.”

Daarnaast hebben pesticiden geleid tot een massale sterfte onder bestuivers als bijen en vlinders. Verder draagt ons voedselsysteem voor ruim 20 procent bij aan de uitstoot van broeikasgassen. Dit heeft klimaatverandering tot gevolg en navrant genoeg ondervindt juist de voedselproductie daar de negatieve effecten van. Te denken valt aan toenemende perioden van droogte, vorst na een te vroeg warm voorjaar, overstromingen en nieuwe ziektes en plagen. Little geeft daarvan vele voorbeelden in Amerika, met name in de fruitteelt, en in Afrika.

Voedselvoorziening is mede afhankelijk van de natuurlijke hulpbronnen, zoals zoet water en gezonde bodems. Als we duurzaam voedsel willen verbouwen, kunnen we niet doorgaan met die bronnen steeds verder uit te putten. Maar hoe dan verder en komen we hier wel uit? In Littles woorden: „Hoe zwaar zitten we in de problemen?” Zij schetst dan de controverse tussen „heruitvinders” en „hervinders.” Heruitvinders zijn zij die met nieuwe technieken, zoals big data en kunstmatige intelligentie, naar een slimmer en veerkrachtiger voedselsysteem willen. Hervinders pleiten voor biologische en ecologische landbouwpraktijken in de tijd voor de groene revolutie.

Derde optie

Het belangrijkste punt van Little is: we kunnen de uitdagingen op het gebied van voedselproductie niet oplossen met één allesomvattende benadering (”one size fits all”) door ofwel louter technologische innovaties ofwel door terugkeer tot pre-industriële biologische landbouw. In plaats daarvan stelt ze een derde optie voor, die het gebruik van nieuwe technologieën combineert met meer traditionele, duurzame landbouwbenaderingen. Ze roept op tot een synthese van de wijsheid van het verleden met de vindingrijkheid en innovatie van het heden.

Die boodschap brengt Little in twaalf hoofdstukken, waarin ze haar ervaringen beschrijft met nieuwe benaderingen voor voedselproductie. Ze vertelt allerlei verhalen over innovatieve ondernemers die ze interviewde bij haar wereldreizen door Kenia, Mexico, China, Israël, Noorwegen, en haar thuisland Amerika.

Enerzijds ondernemers die technologische innovatie combineren met beproefde agro-ecologische praktijken. Een eenvoudig voorbeeld is daarbij het gebruik van droogtetolerante zaden in Afrika, dat meer en meer geteisterd wordt door een gebrek aan regen. Een meer hightechtoepassing betreft het gebruik van robots die zijn uitgerust met kunstmatige intelligentie om onderscheid te maken tussen gewassen en onkruid om zo het pesticidengebruik terug te dringen. Haar inspiratiebron is een ondernemend stel dat biologische landbouw wil combineren met technologische innovaties, zoals het gebruik van die robotwieders, sensoren die het microklimaat van individuele planten monitoren, oogstmachines en dergelijke. Dit zijn voorbeelden van de hervinders.

Geprinte maaltijden

Anderzijds interviewde ze techneuten en ondernemers die werken aan volledige voedselproductiesystemen zoals op afstand bestuurbare gewassen, gewassen telen in meerdere lagen boven elkaar in gebouwen (verticale landbouw), in laboratoria gekweekt vlees via cellulaire landbouw, 3D-geprinte maaltijden en waternetwerken beheerd door supercomputers. Dit zijn voorbeelden van de heruitvinders.

Little wijst van alles de voordelen aan, maar noemt ook wel de schaduwzijden. Zo leidt verticale landbouw tot veel minder gebruik van land, water, voedingsstoffen en pesticiden, maar het energiegebruik is nu nog heel hoog. En het gebruik van nieuwe droogtebestendige zaadvariëteiten kan tot problemen leiden als boeren afhankelijk worden van in de winkel gekochte zaden en hun prijzen stijgen.

Kansen

Little schreef een fascinerend boek over de bedreigingen die ons te wachten staan in onze strijd voor voedselzekerheid. Maar ook de kansen die er liggen om te komen tot een voedselproductie die enerzijds meer geautomatiseerd is en anderzijds ecologisch duurzamer en beter bestand is tegen klimaatverandering komen aan de orde.

Little heeft een boeiende stijl en ondanks de vele feiten is het boek zeer leesbaar. Het enige nadeel is dat het door de gekozen opzet erg fragmentarisch is. Het is meer een verzameling van losstaande essays dan een samenhangend boek over de voedselproblematiek en mogelijke benaderingen daarvoor. Met dit stuk is beoogd de rode draad er toch in te ontdekken.

Wim de Vries is hoogleraar milieusysteemanalyse bij Wageningen University

Wat schaft de toekomst? Eten in een volle, hete én slimme wereld, Amanda Little; uitg. Arbeiderspers; 407 blz.; € 23,99