Ds. P. D. J. Buijs: Wie zou niet wenen?

Scheuring 1953
Ds. R. Kok. Beeld RD RD
2

Wie zou niet wenen? Deze woorden zijn binnen de gereformeerde gezindte gevleugeld geworden om het trieste van de grote verdeeldheid in onze kring aan te duiden. Nu merkte een collega eens op: Dat heeft veel weg van krokodillentranen. Wie lijdt er écht onder de verdeeldheid?

En toch: wie de dissertatie van dr. Golverdingen leest, voelt pijn en verdriet om wat er in de jaren 1946-1950 in de Gereformeerde Gemeenten is gebeurd. Jaren van vernieuwing en verbreding, maar ook van verwarring en confrontatie, uitlopend op de schorsing van ds. R. Kok.


Ik zou dit boek op een vijftal manieren willen typeren en waarderen.


Het is in de eerste plaats een boeiend boek. Zelden lees je een dissertatie die de stof waarom het gaat zo dichtbij weet te brengen. De schrijver neemt je mee door de geschiedenis van de beschreven jaren, waardoor hij een helder beeld weet te schetsen van de Gereformeerde Gemeenten in die periode.


Het is vervolgens ook een moedig boek. Immers, dr. Golverdingen behoort zelf tot genoemd kerkverband. Dan is er bepaald moed voor nodig om scheefgroei, tekortkomingen en kerkrechtelijke uitglijders eerlijk naar voren te brengen. En dat gebeurt. Daarbij spaart de schrijver niemand, al kiest hij zijn woorden zorgvuldig. Dat laatste is niet alleen wetenschappelijk, maar vooral ook geestelijk van belang.


Het is ook een onthullend boek. Het valt niet te ontkennen: er is veel misgegaan, aan alle kanten. En dan blijken ‘grote’ mannen toch maar heel klein te zijn. Mij kwam de kommapreek van Kohlbrugge weer voor de geest: ook dominees zijn vleselijk, verkocht onder de zonde.


Karakters

Wat spelen karakters in de kerkgeschiedenis toch een grote rol. De vijfde stelling bij de dissertatie slaat dan ook de spijker op de kop: „Kerkelijke conflicten, zoals in de Gereformeerde Gemeente van Veenendaal in de jaren 1948-1950, kunnen als regel worden herleid tot een gebrek aan goede communicatie of het niet of onvoldoende praktiseren van de heiligmaking.”


Onthullend is het boek ook in die zin dat het de begrips­verwarring blootlegt rond de begrippen ”aanbod” en ”belofte”. Tegelijk heb ik gedacht (maar daar ben ik dan waarschijnlijk christelijk gereformeerd voor): wreekt zich hier juist niet dat in de leeruitspraken van 1931 wordt gesteld dat het genadeverbond is opgericht met de uitverkorenen, en niet met de gelovigen en hun zaad (Gen. 17:7)?


Had men hier maar dieper over doorgesproken. Het is te waarderen dat ds. Kersten vlak voor zijn sterven nog een poging heeft ondernomen om de tegenstelling Kok–Steenblok te overbruggen door het boekje ”Het verbond der genade” van Fisher en de Erskines te publiceren. Te betreuren is dat ds. Kok niet meer de gelegenheid werd gegund om vlak voor zijn schorsing tijdens de classis­vergadering een weerwoord te geven.


Had men niet veel dieper moeten doorvragen naar elkaars motieven? En had men elkaar niet kunnen vinden in een spreken over tweeërlei kinderen van het verbond? Ik voor mij wil erkennen dat men ook bij een twee­verbondenleer een ruim aanbod van genade kan laten horen. En ik wil ook toegeven dat een verkeerde hantering van een drie­verbondenleer tot een optimistische gemeentebeschouwing kán leiden. Maar dat hóéft niet en dat is er ook de opzet nooit van geweest. Een prediking die geestelijke leidinggeeft, zal per definitie onderscheidenlijk zijn.


Dr. Golverdingen doet de suggestie dat een benadering zoals ds. I. Kievit die heeft gegeven in zijn boekje over het verbond, een begaanbare weg zou kunnen zijn. Zou het niet mogelijk zijn om zo veel jaren na dato daarover eens in een rustige sfeer in gesprek te gaan? Of hebben we ons al te zeer ingegraven in onze kerkelijke loopgraven? Maar is dat voor de Koning van de kerk te verantwoorden? Passen ons ook geen verootmoediging en bescheidenheid?


Leerzaam

Het boek is ook onthullend in het aan de orde stellen van kerk­rechtelijke aspecten. Wat moeten we bewaard worden voor allerlei subjectieve gevoelens. De objectieve afspraken in de kerkorde bedoelen de regering van Christus in Zijn kerk te dienen. Daarom is handhaving van de kerkorde (naar alle kanten; ook de kerkenraad van Veenendaal ging op dit punt mank!) een voluit geestelijke zaak.


Daarom is het boek van broeder Golverdingen ook leerzaam: zo moet het nooit weer, zowel in geestelijk opzicht als naar de kerkrechtelijke zijde. Dat geldt niet alleen naar de Gereformeerde Gemeenten toe. We kunnen het ons allen aantrekken. Immers, wie zou niet wenen over eigen vlees?


Daarom vond ik het voor mijzelf ten slotte een verootmoedigend boek. „Wat wordt er van ons in die staat, o Vader, zo Gij ons verlaat? Hier komt nog vlees en wereld bij; ai, sterk ons dan en maak ons vrij.”


Lees meer in Digibron

Pijnlijk misverstand rond ds. R. Kok (Reformatorisch Dagblad, 17-12-2007)

“Ontslag dr. Steenblok en schorsing ds. Kok onjuist”: Ds. Golverdingen spreekt op symposium GG (Reformatorisch Dagblad, 08-10-2007)

Eerherstel voor ds. R. Kok? (De Wekker, 12 mei 2000)