Dr. Emanuel Rutten: De scherpe kantjes van het nieuwe atheïsme vlakken af

Emanuel Rutten. beeld RD, Henk Visscher
2

De christenfilosoof dr. Emanuel Rutten ziet een omslag: de scherpe kantjes van het nieuwe, rabiate atheïsme beginnen af te vlakken. „Het atheïsme is een wereldbeeld in crisis. Ik heb nog nooit één goede claim gehoord dat God niet bestaat.”

Rutten is een spraakwaterval, boordevol enthousiasme voor zijn vak. Hij houdt graag lezingen in onder meer filosofische cafés en dat moet er ongetwijfeld levendig aan toegaan. Hij is christen én filosoof en verrast hardnekkige seculieren met zijn onbevangen stellingen over God en geloof. Zelf is hij naar eigen zeggen vanuit een areligieuze wereld tot geloof gekomen, door gewoon eerlijk filosofisch te redeneren. „Ik heb het geloof omarmd als het meest adequate redelijke wereldbeeld.”

Rutten schreef diverse boeken, onder meer ”En dus bestaat God”, samen met Jeroen de Ridder, evenals Rutten docent aan de filosofische faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Twee jonge christenfilosofen die flink aan de weg timmeren. Rutten verraste recent het lezerspubliek door zijn aanval te richten op een van de grootste filosofen van alle tijden, Immanuel Kant. Emanuel contra Immanuel – je moet maar durven. In zijn boek ”Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie” bepleit hij hernieuwde aandacht voor de buitenzintuigelijke wereld.

Wat is het probleem met Kant?

„Kant heeft gezegd: Alles wat zich buiten het zintuigelijke bevindt, dus ook God en de hele metafysica –om dat woord maar eens te gebruiken– daarover kunnen we niets weten. We kunnen erover speculeren, mogen morele oordelen geven, alles mag, behalve kennis. Dat is verboden. Want Kant zegt dat we alleen kennis van de werkelijkheid hebben via de zintuigelijke waarneming. Maar waarom zou het verstand een slaaf zijn van de zintuigen? Ik vind het onbevredigend omdat ik de intuïtie heb dat die rede autonoom is, een onafhankelijk, vrij vermogen. Er moet een diepe, intieme verwantschap zijn tussen ons denken en de werkelijkheid.”

Maar Kant leerde toch ook de autonomie van de rede?

„Ja, maar niet voor de kennis, want als het om de kennis gaat, dan mag het verstand alleen maar de binnenkomende zintuigelijke prikkels oppakken en aan het bewustzijn presenteren. Het verstand wordt daarmee gereduceerd en versmald tot een vermogen dat alleen die prikkels opvangt. Daar sta je dan als verstand. Zodra je autonoom gaat denken, is er geen sprake van kennis.”

Kant zegt dat hij plaats wilde maken voor het geloof. Daar is toch niks mis mee?

„Kant schept echter een tegenstelling tussen geloof en weten. Natuurlijk is er heel veel wat we niet kunnen weten en wat louter een domein blijft voor het geloof. Denk alleen al aan allerlei openbaringswaarheden, de eigenschappen van God. Maar er is een aantal zaken die we geloofsclaims noemen, zoals dat God bestaat en dat God de wereld heeft geschapen. Dat zijn metafysische claims, zaken die wij werkelijk kunnen weten. Dan heb je een kennisleer nodig, waarbinnen dat verantwoord taalgebruik wordt. De argumenten van Kant wijzen uit dat hij in feite de grondlegger van het positivisme is, dat onze westerse cultuur is gaan beheersen. Hij heeft het positivisme van een wijsgerige grond voorzien en respectabel gemaakt.”

Gevolg is een plat wereldbeeld en vergelijkbare wetenschapsopvatting?

„Ja, meten is weten. Er staat hier dus veel op het spel. Kant heeft een enorme impact gehad. Maar zijn argumenten falen gewoon, stuk voor stuk. Ik heb ze gedetailleerd gefileerd. Een van zijn argumenten is: als ons verstand los van de waarneming gaat redeneren, dus vrij gaat denken, dan kom je uit op tegenspraken, zogenaamde antinomieën. Dan kun je zowel bewijzen dat de wereld een begin heeft alsook dat hij die niet heeft. Dat is een paradox. Daarom zegt Kant: Niet doen, blijf bij de waarneming. Ik ben tot de ontdekking gekomen dat die bewijzen totaal in elkaar storten. Dus er is helemaal geen paradox.”

Wat is uw alternatieve kennisleer dan?

„Wat wij waarnemen, is altijd de wereld zoals wij die waarnemen én denken. Bij Kant is dat laatste afwezig. Mijn kennisleer is dus ruimer en inclusiever dan de kantiaanse waarnemingswereld. Tegelijkertijd neem ik Kant kwalijk dat hij meent op een archimedisch punt te staan en te weten hoe het werkelijk zit. Hij schrijft dingen op die verdergaan dan ervaringskennis. Ik radicaliseer Kant, ik pak door. Hij houdt halverwege op, hij had ruimer moeten denken. Waarom de waarneming op een troon? Alles mag voor mij weer kennis heten, maar uiteraard wel binnen de wereld zoals die tot ons komt, die ik ”de wereld voor ons” noem.”

Kant wilde een boedelscheiding tussen geloof en weten om God te ‘redden’.

„Daar ben ik een tegenstander van. Er is één wereld en daarin komen geloof en weten samen. Het theïstische wereldbeeld is voor mij een perfect redelijk wereldbeeld. Dat wereldbeeld mag met recht kennis heten. Daarnaast is er genoeg ruimte voor mysterie, mystiek, het raadsel van God. Ik zeg niet we alles kunnen weten of dat we het wezen van God rationeel kunnen uitputten. God blijft grotendeels een mysterie. Ik ben geen schrale rationalist. Kant wilde plaatsmaken voor het geloof, maar hij deed dat door het kind met het badwater weg te gooien. Ik wil alles, geloof én kennis. Het is voor mij totaal redelijk om in het bestaan van God te geloven.”

Vertegenwoordigt u daarmee niet een uniek standpunt tegenover de huidige wetenschap?

„Zo lijkt het wel. De huidige wetenschap zegt: Er is geen kennis van het bovennatuurlijke. Ook de theologen zijn kantianen geworden. Toch houd ik er ook aan vast dat we geen onfeilbare onmiddellijke en rechtstreekse toegang tot het absolute hebben. We zijn mensen, we zijn geen goden. Dit moet voor ons genoeg zijn.”

Uw wereldbeschouwing is theïstisch?

„Ik ben christen, maar in metafysische zin is mijn wereldbeeld theïstisch. Daarmee bedoel ik: de grond van de wereld is God, bewustzijn, geest, niet materie. En ik beargumenteer dat met een antikantiaanse kennisleer.”

Het atheïsme lijkt nog steeds de vigerende wereldbeschouwing in het publieke debat. Stefan Paas, Rik Peels, René van Woudenberg en Jeroen de Ridder roeren zich flink. Redden zij zich in het huidige atheïsmedebat?

„Ik voor mijzelf laat zien dat het christelijke, theïstische wereldbeeld buitengewoon redelijk is. De argumenten voor het atheïsme falen echt. Richard Dawkins is allang achterhaald. We kunnen God niet bewijzen. Bewijzen doen we alleen in de wiskunde, maar niet in de filosofie. Maar we kunnen wel plausibel maken dat de uitspraak dat God bestaat buitengewoon redelijk is, sterker nog: de meest redelijke, meest waarschijnlijke positie is. Daarom is het theïsme het meest redelijke en waarschijnlijke wereldbeeld.”

Maar er is ook een andere, meer augustiniaanse traditie: geloof zoekt inzicht. Je begint met geloof, en vervolgens gaat de rede het geloof verdiepen.

„Als je eenmaal gelovig bent, dan kun je uiteraard verder dat geloof op een intellectuele wijze uitwerken en zoeken naar een samenhangend wereldbeeld. Dat is een manier om christelijke filosofie te bedrijven, maar je kunt ook op onafhankelijke gronden juist door wijsgerige doordenking tot geloof komen. Dat is mijn weg geweest. Mijn filosofie gaat aan het christendom vooraf.”

Vanuit denken tot God komen, ziet u daarin ook iets van Calvijns idee van gevoel voor de Godheid, een ”sensus divinitatis”?

„In de menselijke ziel zit voor mij absoluut een sensus voor God, maar het gaat erom: ben jij er ontvankelijk voor? Laat je dat licht schijnen of niet? Argumenten zijn dan belangrijk om een intellectueel klimaat te scheppen waarin het geloof in God weer als een redelijke optie wordt gezien en waarin mensen ook weer meer bereid zijn om er zich voor open te stellen, zonder dat ze bang hoeven zijn dat ze intellectuele zelfmoord plegen.”

Boekgegevens

Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie, Emanuel Rutten; uitg. KokBoekencentrum; 174 blz.; € 17,99