Dr. Brienen vraagt aandacht voor liturgie Oecolampadius

Johannes Oecolampadius. beeld Wikimedia
2

Dr. T. Brienen (89), emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken, heeft in zijn leven veel studie gemaakt van de geschiedenis van de liturgie, met name die bij Calvijn. In deze boeken heeft hij al wel zijdelings gewezen op de rol die Johannes Oecolampadius speelde bij de reformatie van de liturgie in de Zwitserse stad Bazel. Maar uitgebreid was deze reformator niet voor het voetlicht gekomen. Volgens dr. Brienen is er zelfs nog nooit een afzonderlijke studie over diens liturgische activiteiten verschenen. Dat wil de hoogbejaarde predikant met zijn jongste pennenvrucht goedmaken.

Oecolampadius (1482-1531), die eerst in 1518 en vervolgens sinds 1522 in Bazel actief is, maakt vanaf 1525 werk van de reformatie van de liturgie. In dat jaar wordt de aloude vorm van de mis afgeschaft en zet Oecolampadius in het geschrift ”Form und Gestalt” uiteen hoe zijns inziens een Bijbelse invulling van de orde voor de doop- en avondmaalsdienst en van het ziekenbezoek –ter vervanging van ziekencommunie en laatste oliesel– eruitziet.

Oecolampadius kan voor zijn ideeën voortbouwen op wat zijn voorganger Johann Ulrich Surgant in 1503 in het geschrift ”Manuale curatorum” had beschreven: de liturgie van de laatmiddeleeuwse preekdienst in de volkstaal –de zogenoemde ”pronaus”– zoals die in Bazel in sommige kerken gebruikelijk was. In zulke diensten –binnen de Latijnse mis of los daarvan– stond de preek centraal. Dr. Brienen laat zien dat niet alleen Oecolampadius maar ook de reformatoren Leo Judae (Zürich), Zwingli (Zürich) en Farel (Genève) aansluiten bij deze laatmiddeleeuwse preekdiensten. Anders dan Calvijn, die voor zijn liturgische visie uitgaat van de stuctuur van de misliturgie. De lijn van de ”pronaus” ziet Brienen ook doorlopen naar de Nederlandse liturgie van Petrus Dathenus uit 1566.

Dit boekje beschrijft in feite de ontwikkeling van de reformatorische liturgie in Bazel, waarvan de activiteiten van Oecolampadius –behandeld in dertig pagina’s– een onderdeel zijn. Jammer is dat de uitgave niet geredigeerd lijkt te zijn (getuige tikfouten, onnodig vetgebruik, overbodige cursiveringen en het weergeven van grote stukken citaattekst plus vertaling van feitelijke informatie). Jammer is ook dat dr. Brienen zich baseert op oudere literatuur. Had hij bijvoorbeeld het recente werk van de Straatsburgse onderzoeker Beat A. Föllmi erbij betrokken, dan had hij kunnen ingaan op diens suggestie dat Bazel, waar Oecolampadius zich ook inzette voor de kerkzang, en dan met name het zingen van de psalmen (dr. Brienen noemt dat kort), de plek is waar Calvijn in 1535/36 kennismaakt met de zingende gemeente. Met als gevolg dat hij zich even later in Genève voor de invoering van de kerkzang (de psalmen) inzet. Dat is een interessante suggestie, die nadere studie verdient.

Boekgegevens

De liturgie bij Johannes Oecolampadius – reformator te Bazel, T. Brienen; uitgave in eigen beheer; 91 blz.; € 17,50