Dominee en koopman op één lijn bij aanpak pestepidemie

Dr. A. H. M. Kerkhoff: „Kerken kunnen een stimulerende rol vervullen bij het oplossen van problemen waarbij tegenstrijdige belangen een rol spelen.”  beeld RD, Anton Dommerholt
2

De pest is een besmettelijke ziekte die alleen buiten de deur kan worden gehouden door zieke mensen te isoleren en handelswegen af te sluiten. Maar dat is onchristelijk, oordeelden predikanten in de zeventiende-eeuwse Republiek. En onwenselijk vonden de kooplieden.

Rudy Ligtenberg

Dr. A. H. M. Kerkhoff deed onderzoek naar de pestbestrijding in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Italiaanse stadstaten hadden al in de vroege vijftiende eeuw ontdekt hoe pestepidemieën effectief konden worden aangepakt. Burgers die ziek werden moesten streng geïsoleerd worden, handelswegen dienden met goed gecoördineerde blokkades te worden afgesloten, het verkeer over land en zee moest worden stilgelegd en er moesten quarantainevoorzieningen komen waarin bezoekers een tijd lang konden worden opgesloten tot duidelijk was dat ze de ziekte niet bij zich droegen. Het is volgens Kerkhoff „een intrigerend en raadselachtig feit” dat het in de Republiek nog tot het einde van de zeventiende eeuw duurde voordat de overheid tot een vergelijkbare aanpak overging.

Wat is uw verklaring?

„De Republiek was qua staatsvorm een vreemde eend in de bijt. De steden waren de koningen van de Republiek; ze hadden een grote mate van zelfstandigheid, de gewesten hadden maar weinig zeggenschap over hen. Onderling beconcurreerden en wantrouwden de steden elkaar; het eigen belang stond voorop. De Staten-Generaal op hun beurt konden de gewesten nergens toe verplichten. Dat maakte een gecoördineerde aanpak tegen een pestuitbraak vrijwel onmogelijk. De Staten-Generaal beperkten zich tot het uitschrijven van landelijke biddagen en het schrijven van brieven en verklaringen aan vreemde mogendheden waarin ze berichten over het voorkomen van pest in de Republiek afzwakten of zelfs glashard ontkenden, ook als dat geheel bezijden de waarheid was. Bovendien hadden de kooplieden in de Republiek grote invloed. Zij waren erg voor onbelemmerde doorvoer van hun goederen. Hun Bijbel was ”Mare liberum” –de vrije zee– van Hugo de Groot. Ook speelde mee dat de kans dat er een pestepidemie betrekkelijk laag werd ingeschat. De ”gesel Gods” werd in de zeventiende eeuw als minder ernstig ervaren dan sommige hedendaagse historici willen doen geloven. Van veel kooplieden is bekend dat ze banger waren voor schade aan hun handel door pestmaatregelen dan voor de ziekte zelf.”

Was men in de Republiek wel goed op de hoogte van de oorzaken van het ontstaan van pestepidemieën?

„De modellen die artsen in die tijd hanteerden klopten wetenschappelijk gezien –althans in onze ogen– niet. De gezaghebbende medicus IJsbrand van Diemerbroeck (1609-1674) bijvoorbeeld ging uit van een combinatie van drie verschillende oorzaken van de pest. In de eerste plaats zag hij de ziekte als een straf van God. Dat is niet vreemd als je bedenkt dat het leven in de zeventiende eeuw in de Republiek diep doortrokken was van voornamelijk protestants-christelijke denkbeelden over Gods voorzienigheid. De manier waarop God strafte was volgens Van Diemerbroeck en andere artsen dat Hij gebruik maakte van ziekmakende lucht. Omdat ze zagen dat mensen elkaar met de ziekte aan- staken, veronderstelden ze bovendien dat de zieken smetstoffen produceerden die van mens op mens konden overgaan. Omdat je met zo’n driedubbele theorie alle kanten op kon, bleef een effectieve aanpak van de epidemie uit.”

U noemt ook religieuze factoren.

„De rol van de kerken was niet mijn primaire onderzoek, maar ik vind wel dat in modern onderzoek hier te weinig aandacht voor is. In de Republiek vonden de contraremonstranten dat de pestbestrijding vooral een kerkelijke aangelegenheid was. Het ging immers om een ziekte die God naar de mensen zond en de ziekenzorg viel onder de armenzorg, vanouds een taak van de kerk. Een gezaghebbende theoloog als Voetius vond bovendien dat mensen die aan de pest leden niet geïsoleerd mochten worden; dat was in zijn optiek onchristelijk en onbarmhartig. Zelfs tegen het weren van vreemdelingen en reizigers uit besmette gebieden maakte hij bezwaar. Christelijke naastenliefde vereiste dat men de naaste niet in de steek liet of opsloot. Voetius liet er geen twijfel over bestaan dat een goede herder zijn schapen in nood nimmer in de steek mag laten.”

Denkt u dat dergelijke opvattingen een rol speelden in het beleid van de overheid?

„De fel gekleurde standpunten van de predikanten van de Nadere Reformatie lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Maar daarmee is niet gezegd dat ze met hun geschriften grote invloed hadden op het pestbeleid van de overheden. Waarschijnlijk is dat in de meeste steden en plaatsen niet het geval geweest. De gereformeerde kerk was wel de publieke kerk, maar dat betekende niet dat alle mensen de kerkelijke leiders in al hun uitspraken volgden. Juist de regenten in het machtige gewest Holland, die vaak nauw verbonden waren met de koopmansstand, waren veelal gematigd in hun religieuze opvattingen.”

Toch kwamen de standpunten van kooplieden en predikanten verrassend overeen...

„Voor de regenten-kooplieden stonden de handelsbelangen voorop. Zij beschouwden de quarantainemaatregelen van landen als Spanje, Frankrijk en Engeland als oneerlijke pogingen om de Hollandse handel te schaden. De predikanten plaatsten om religieuze redenen vraagtekens bij maatregelen tegen de pest. Overigens hebben zij via de pastorale taken die zij tijdens een epidemie dagelijks uitvoerden misschien wel meer invloed op het overheidsbeleid gehad dan met hun geschriften. Tal van elementen uit die zorg vroegen immers om een goede samenwerking tussen kerk en overheid. Vooral bij het begeleiden van de zieken en het begraven van de vele doden hadden ze elkaar nodig. De begraafplaatsen raakten overvol en dat betekende al gauw dat de kerk de stad nodig had voor extra begraafplaatsen. Omgekeerd kon de stedelijke overheid de medewerking van de kerk niet missen als ze bijvoorbeeld eiste dat doden dieper begraven dienden te worden in de kerken.”

Rond 1665 trad er een kentering op. De Staten-Generaal namen de regie in de pestbestrijding tamelijk abrupt over van de steden. Hoe kwam dat zo?

„In het Zeeuws archief stuitte ik op een verslag van een vergadering van de Staten van Zeeland. De Fransen wilden tijdens de epidemie van 1663 tot 1666 geen zaken doen met Holland, maar wel met Zeeland, dat niet door de pestgolf leek getroffen. De Zeeuwen voerden toch al af en toe een eigen buitenlands beleid, los van de Staten-Generaal. Na lang wikken en wegen besloten ze nu quarantainemaatregelen richting het gewest Holland te nemen. Dat was natuurlijk tegen het zere been van de Hollanders, want vrij verkeer onderling vormde de basis van de Republiek. De Staten van Holland benoemden een commissie van deskundigen, die advies moest geven in deze situatie. Voor het eerst werd toen erkend dat de pest zich uitsluitend door besmetting verspreidt en niet door ziekmakende lucht; de bovennatuurlijke oorzaken van de pest schoven naar de achtergrond. Dat maakte de weg vrij voor een aanpak zoals veel eerder in Italië al werd toegepast. En met succes: na 1666 is er geen pest meer in de Republiek voorgekomen.”

Kunnen we in onze tijd nog iets leren van de manier waarop de pest in de zeventiende eeuw werd bestreden?

„De geschiedenis leert niet hoe het verder moet. Hoogstens illustreert mijn verhaal nog eens dat de aanpak van een besmettelijke ziekte een zaak is van onderhandelen en uitvechten. Nog steeds gaat het om een strijd tussen partijen met verschillende belangen die verschillende aspecten van de werkelijkheid naar voren brengen en in een soort gewapend overleg allemaal hun zin proberen te krijgen. Kijk bijvoorbeeld naar de discussies rond de vogelgriep en de Q-koorts, maar ook naar de manier waarop het klimaatprobleem wordt aangepakt. Onlangs pleitte filosoof des vaderlands Daan Roovers voor een andere manier van onderhandelen: niet op basis van het eigen belang, maar vanuit een gezamenlijk gedeeld belang. Ik denk dat juist de kerken hierbij een belangrijke stimulerende rol zouden kunnen vervullen. De oergedachte is toch dat we één kudde zijn die door het aardse bestaan moet worden geloodst.”

Dr. A. H. M. Kerkhoff

Dr. Kerkhoff (1946) studeerde geneeskunde in Nijmegen. Hij promoveerde op de studie ”Over de geneeskundige verzorging in het Staatse leger (1568-1795)”.

Tijdens zijn werkzame leven was hij actief als sociaal geneeskundige op Voorne Putten en in Leiden. Daarnaast hield hij zich bezig met de geschiedenis van de geneeskunde en de gezondheidszorg. Op dit terrein publiceerde hij een groot aantal monografieën.

Van 1990 tot zijn pensionering in 2005 was dr. Kerkhoff hoogleraar Bouw en werking van de gezondheidszorg aan de Universiteit Twente.

Dr. Kerkhoff woont met zijn vrouw in het Twentse Goor.

Boekgegevens

Per imperatief plakkaat, A. H. M. Kerkhoff; uitg. Verloren; 298 blz.; € 35,-