De maatschappij verandert. En dus ook het kinderboek

Werkende moeders zijn bezig aan een opmars, althans, in kinderboeken. Gekleurde personages trouwens ook. Zoals Kalle –met zijn opvallend Scandinavische naam– uit het prentenboek ”Kalle en Saar” van Jenny Westin Verona. beeld Jésus Verona

De maatschappij verandert. En dus het kinderboek. Ooit vanzelfsprekende rolverdelingen en gezinspatronen wankelen. Sommigen kan het niet snel genoeg gaan. Diversiteit staat hoog in het vaandel. En die moet ook in de jeugdliteratuur zichtbaar zijn.

Een rommelige ontbijttafel. Beertje Bobbi staat erbij, één sok aan en beker in de hand. Mama’s tas ligt klaar op een stoel, de Maxi-Cosi met Bobbi’s babybroer staat op tafel.

Het is een scène uit een boekje in de populaire Bobbiserie voor peuters. Ogenschijnlijk niets bijzonders, gewoon een weergave van een doordeweekse ochtend.

Wat je niet of nauwelijks doorhebt, is dat je door een bepaalde bril naar de werkelijkheid kijkt. Eentje die afrekent met het traditionele rolpatroon, of beter: die ruimte laat voor meer variatie. In dit Bobbiboekje (”Bobbi in de lente”) gaat mama naar het werk, en papa past op. Enkele decennia geleden zou zo’n prent niet in een peuterboek zijn beland. Papa ging naar het werk, mama zat thuis, dat was lang de norm.

Nu liggen de kaarten anders. Diversiteit en inclusie zijn woorden van deze tijd, ook in de jeugdliteraire wereld. Dus moeten er als het even kan gekleurde kinderen, klussende mama’s en homostellen met kinderwens in een boek voorkomen. In uitgaves voor oudere kinderen was die ontwikkeling al langer te zien, en langzaam maar zeker dringt de veelkleurige maatschappij ook door in boeken voor kinderen in de basisschoolleeftijd en daaronder. Al zijn –voor de duidelijkheid– witte hoofdpersonages, doorsnee gezinnen en klassieke rolpatronen nog altijd in de meerderheid.

Hierbij een exemplarisch, en niet volledig, overzicht van wat er gaande is. Gegoten in –heel klassiek– drie punten.

1. De maatschappij verandert, kinderboeken bewegen mee.

Wie regelmatig Jip en Janneke voorleest zal het herkennen. Hoe fris de verhalen ook zijn, na een paar bladzijden realiseer je je hoe veel er in een paar decennia is gebeurd. Jip belt met een draaitelefoon en langs de deur komt „het borstelmannetje” vegers en mattenkloppers verkopen.

Elke auteur bekijkt de wereld vanuit een bepaald denkraam, vanuit zijn eigen frame, en dat frame wordt mede bepaald door de tijd waarin hij (of zij) leeft. Als schrijver maak je vaak een afspiegeling van de jou bekende werkelijkheid. Denk ook maar aan kinderboeken uit christelijke hoek, waarin voor de maaltijd wordt gebeden.

Als de maatschappij verandert, heeft dat dus gevolgen voor het kinderboek. Zo doken in prentenboeken de afgelopen jaren beduidend meer getinte kinderen op, bijvoorbeeld in het oorspronkelijk Zweedse ”Kalle en Saar in de jungle” (Jenny Westin Verona). Of dieren, zoals de zwarte papamuis in ”Tellen en rijmen met de familie Muis” (Juliëtte Rosenkamp). Er verscheen zelfs een prentenboek over een transgenderlammetje, ”Het lammetje dat een varken is” (Pim Lammers).

Een betrekkelijk nieuw thema is homoseksueel ouderschap en ook dat zie je terug in het boekenaanbod, met exemplaren waarin de boodschap dat deze vorm van ouder-zijn heel normaal is er meestal dik bovenop ligt. Uitzondering is ”Filolia wil een krokodil” (Ingeborg Hornsveld), waarin het meisje Filolia ‘gewoon’ twee moeders heeft zonder dat het een rol speelt in het verhaal. Dat geldt ook voor de eind vorig jaar verschenen bundel ”De kikkerbilletjes van de koning en andere sprookjes” (Janneke Schotveld), waarin twee koningen „zo graag een kindje willen”. (En waarin trouwens ook een dappere „ridster” voorkomt.)

Auteurs en uitgevers zijn zich natuurlijk bewust van veranderingen en spelen daarop in. Maar ook vanuit het grondvlak klinkt de roep om vernieuwing. Het tienjarige meisje Fenna dat onlangs de makers van Donald Duck vroeg om ook eens een homostel af te beelden, is daar een –overigens uitzonderlijk– voorbeeld van. Ze had succes: binnenkort is in het populaire stripblad een lesbisch duo te zien dat een terrasje pakt.

2. Ook in christelijke kinderboeken zijn verschuivingen te zien.

„De vader in de keuken en de moeder met de krant aan tafel. Het zijn kleine dingen, maar ik vind het wel leuk daarmee te spelen”, zei prentenboekmaker Milja Praagman vorig jaar in een interview. De reden? In het gros van de kinderboeken –met name die voor de jongsten– worden huishoudens tamelijk stereotiep afgebeeld.

Tegen die achtergrond is het opvallend als in een christelijk kinderboek sprake is van kinderen die „bijna alle dagen naar de buitenschoolse opvang” gaan. Hoofdpersoon Meggie uit het pas verschenen ”Huize Fluitekruid” (Ingrid Medema) vertelt erover, hoewel haar moeder gedurende de tijd die het boek bestrijkt niet werkt, wellicht vanwege de vakantieperiode. In hetzelfde boek krijgt iemand die zich afvraagt of een vrouw wel een huis kan opknappen, het stempel „ouderwets” (zie kader ”Klussende dame”).

Ook gekleurde personages zijn doorgedrongen tot de christelijke kinderboekenwereld – de lichtgetinte Farouk schopte het in de serie ”Cruiseschip De Cliffhanger” (Corien Oranje) tot hoofdpersoon. Bijfiguren zijn er meer, bijvoorbeeld in boeken van Ineke Kraijo, Hans Mijnders en Willemijn de Weerd, maar desondanks is het vooralsnog een flinke taak om ze daadwerkelijk op te sporen. Bovendien dienen ze vaak vooral als kapstok voor allerhande problemen – van oorlogsgeweld tot discriminatie. Iets waar jeugdboeken uit seculiere hoek overigens ook niet van gespeend zijn.

Wat verder opvalt in recent verschenen kinderboeken is de manier waarop auteurs omgaan met echtscheiding. Een gebroken gezin waarin een klasgenoot opgroeit kan bij wijze van spreken zomaar in een bijzin voorbijkomen, zoals in ”Vast” (Leanne van Spronsen, zie kader ”Gescheiden ouders”). En een buurjongen wordt zonder veel omhaal van woorden gepresenteerd als iemand van wie de ouders gescheiden zijn (in ”De sterrentellers” van Jeannette Donkersteeg). In het laatste boek blijkt uiteindelijk overigens wel dat zo’n thuissituatie veel impact kan hebben op een kind.

3. De ontwikkelingen gaan sommigen niet snel genoeg.

Schrijfster Miep Diekmann (1925-2017) was in haar tijd al verontwaardigd dat er zo weinig zwarte kinderen in de kinderliteratuur voorkwamen. En feministe Jetta van Leeuwen maande Annie M. G. Schmidt in de jaren zeventig dat ze ruzie tussen ouders, scheidingen, homofilie moest laten zien in haar kinderverhalen.

Ze hebben dus wel een punt, de mensen die klagen dat het maar niet wil opschieten met diversiteit in kinderboeken. Dus zijn er nog steeds fanatieke voorvechters, die méér van de samenleving afgespiegeld willen zien in boeken. Zoals stichting ROSE, die via haar boeken het leesaanbod letterlijk gekleurder wil maken.

Maar ook min of meer neutrale organisaties houden zich inmiddels bezig met het thema. De oprichter van ROSE, Nasim Miradi, mocht twee jaar geleden de in jeugdliteraire kringen belangrijke Woutertje Pieterse Lezing uitspreken. Gerlien van Dalen van Stichting Lezen noemde vorig jaar op het jaarlijkse congres het belang van personages met een biculturele achtergrond. „In een samenleving die steeds diverser” is, wordt het „herkennen en begrijpen” van de ander steeds essentiëler, aldus de directeur-bestuurder.

Intussen gaan schrijvers hun eigen gang. Niet iedereen laat zich sturen door nieuwe trends of politiek correcte ideeën. Maar invloed hebben ze wel. Binnenkort verschijnt er zelfs een prentenboek dat zich in de diversiteitsdiscussie mengt: volgens de uitgever is ”Er was eens een koe” (Pim Lammers en Marije Tolman) „een subtiel pleidooi voor meer diversiteit in kinderboeken”. Hoofdpersoon Eefje is de sprookjes die haar moeder voorleest zat. Ze wil geen verhalen over biggetjes, geitjes of de grote boze wolf, ze wil een sprookje met een koe. Maar zo’n verhaal staat niet in haar moeders boek... ”Er was eens een koe” zal nog dit voorjaar verschijnen. Benieuwd wat het zal teweegbrengen.

Van hoofdonderwerp tot zijpaadje

Het is natuurlijk niet zo dat ze eerder niet voorkwamen in jeugdboeken: allochtone kinderen, alleenstaande moeders of personages met homoseksuele gevoelens. Boeken over gediscrimineerde niet-westerse kinderen, over meisjes of jongens die worstelen met de scheiding van hun ouders of met hun geaardheid bestaan al tientallen jaren.

De laatste jaren is echter een verschuiving te zien. Ooit waren boeken over dergelijke minderheden voornamelijk probleemboeken, waarin racisme, oorlogsgeweld of inburgering (bij gekleurde personages), de gevolgen van een scheiding, of uit de kast komen het hoofdthema was.

Inmiddels verschijnen er ook boeken waarin deze zaken niet de hoofdrol spelen, maar er als vanzelfsprekend zijn. Zoals recent een prentenboek over een donker jongetje met een enorme krullenbos dat niet naar de kapper wil (”Idje wil niet naar de kapper”, Michael Middelkoop). Of de sprookjesbundel ”De kikkerbilletjes van de koning” (Janneke Schotveld) die homoseksualiteit simpelweg als één van de opties neerzet (zie kader ”Twee koninginnen”). En voor wat oudere kinderen ”Tegenwoordig heet iedereen Sorry” (Bart Moeyaert), waarin een vriendje van de hoofdpersoon twee moeders heeft.

In de christelijke kinderboekenwereld is die ontwikkeling, hoewel op een andere manier, ook zichtbaar. Een kinderboek waarin homofilie een vanzelfsprekend zijpaadje is, zal er niet snel komen. Ook al is het inmiddels bijna twintig jaar geleden dat Frans van Houwelingen een jeugdboek schreef (het enige, voor zover ik weet) waarin de homoseksuele geaardheid van de hoofdpersoon een grote rol speelt (”De witte kiezel”). Maar beweging is er. Illustratief is de manier waarop in recent verschenen jeugdboeken wordt geschreven over kinderen uit een gebroken gezin (zie kader ”Gescheiden ouders”). Waar zo’n thema eerder alleen als hoofdonderwerp aan bod zou komen, kan het nu zomaar een klein detail in een boek zijn.

Klussende dame

„Huh? Flora Sylwatte? (...) Is het een VROUW die het huisje moet gaan opknappen?” Mama haalt haar schouders op. „Ja, doe niet zo ouderwets, Meg. Vrouwen kunnen ontzettend handig zijn, hoor. Dat is die Flora vast ook. En anders schakelt ze maar hulp in bij het klussen.”

Mama begrijpt mij verkeerd. Ik vind het niet ouderwets, maar juist super stoer dat er een vrouw komt wonen in ons tuinhuis! En dat ze het huisje zelf moet gaan verbouwen! Zelf zou ik later ook wel zoiets willen doen.”

(Uit: Huize Fluitekruid en het geheim van de vreemde tekens van Ingrid Medema, uitg. De Banier)

Gescheiden ouders

„Vergeet niet de brief aan je ouders te geven”, zegt meester Bas als hij weer achter zijn bureau gaat zitten. „Het is de bedoeling dat ze allebei komen, maar als dat niet kan, moeten ze het even aan mij doorgeven.”

Olivier steekt zijn vinger in de lucht. „Maar meester...” Meester Bas knikt. „Ja, ik zal jouw moeder daar nog over bellen.”

De ouders van Olivier zijn gescheiden en zijn vader woont ver weg. In het weekend gaat hij naar hem toe, maar hij woont bij zijn moeder. Voor hem is het altijd een beetje lastig als ze allebei naar iets toe moeten komen.

(Uit: ”Vast” van Leanne van Spronsen, uitg. Den Hertog)

Twee koninginnen

„Wat is er toch met haar?” vroeg hij. „De mooiste, rijkste en geleerdste huwelijkskandidaten heb ik voor haar opgetrommeld, maar ze moet niets van ze hebben (...) Heeft ze misschien liever een meisje?” ging haar vader verder. „In ons buurland hebben ze sinds kort twee koninginnen, hoorde ik.” Haar moeder schudde haar hoofd. „Dat is het niet.”

(Uit: ”De kikkerbilletjes van de koning en andere sprookjes”, van Janneke Schotveld, uitg. Van Holkema en Warendorf)