”De eenvoudige Heidelberger” van Kohlbrugge grondig herzien en uitgebreid

H. Boele (links) en prof. dr. A. de Reuver hebben de ”eenvoudige Heidelberger” van Kohlbrugge grondig herzien en uitgebreid.  beeld Martin Droog
2

„De Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast!” Dat waren de woorden die dr. H. F. Kohlbrugge op zijn sterfbed sprak. De catechismusverklaring van de Elberfeldse prediker is grondig herzien en aangevuld. „Al heeft Kohlbrugge nooit een complete verklaring geschreven, de hele hartslag van de catechismus klopt in zijn preken.”

Klaas van der Zwaag

Het was in het najaar van 1941 dat bij uitgeverij Callenbach in Nijkerk een serie catechismuspreken van Kohlbrugge (1803-1875) uitkwam. Toen er in 1990 zelfs een zesde (en onveranderde) druk verscheen, liet Kohlbruggekenner ds. D. van Heyst weten dat er nog meer catechismuspreken van Kohlbrugge bewaard gebleven waren die niet in deze bundel waren opgenomen.

Kohlbruggekenners H. Boele en prof. dr. A. de Reuver waren er inmiddels achter gekomen dat de geliefde bundel veel tekortkomingen had. Ze besloten het werk grondig te herzien en opnieuw samen te stellen. Het gevolg daarvan is dat de omvang fors toenam. Er waren maar liefst achttien preken vergeten.

Het is volgens Kohlbrugge nog geen mens gelukt „Gods waarheid beter en duidelijker uit te leggen, dan het in de Heidelberger Catechismus gedaan is.” Hoe komt het dan dat hij geen complete verklaring van de Heidelberger heeft nagelaten?

Boele: „Kohlbrugge kende niet de gewoonte om in de avonddienst uit de Heidelberger te preken. In de tweede dienst behandelde hij de eerste jaren dat hij in Elberfeld stond vervolgstoffen. Pas later bracht hij de catechismus ter sprake, maar dan toch fragmentarisch. Wel is het zo dat hij vanaf het begin dat hij in Elberfeld stond aan de kinderen catechisatieonderwijs gaf aan de hand van de Heidelberger. Van zijn hand verschenen wel drie geschriften over de Heidelberger. Kohlbrugge achtte het een „dure plicht” van de gemeente om kinderen te onderwijzen in de leer des heils.”

Prof. De Reuver: „De Heidelbergse Catechismus loopt wel als een weefsel door zijn preken heen. De hartslag ervan hoor je in zijn preken kloppen.”

Boele: „Hij had een voorliefde voor zondag 1. Hij noemt die het voorportaal van onze belijdenis. Iedereen mag er binnenkomen.”

Prof. De Reuver: „Kohlbrugge had zijn voorkeur: christologie, pneumatologie, gebod, gebed en vooral zondag 1, waarin de kern van het geloof wordt beleden: de christenmens wordt onteigend van zichzelf en het eigendom van een Ander.”

Wat heeft Kohlbrugge bedoeld met de uitdrukking ”De eenvoudige Heidelberger”, nota bene op zijn sterfbed? En tot welke kinderen richt hij zich wanneer hij hen oproept aan deze Heidelberger vast te houden?

Boele: „Hij heeft deze woorden met name gezegd tegen Julius Künzli, zijn opvolger in Elberfeld. Hij bedoelt met kinderen denk ik ook zijn catechisanten, de volgende generatie. De woorden zijn voor hem een testament geweest.”

Prof. De Reuver: „Misschien heeft hij met het woord ”eenvoudig” bedoeld dat de catechismus zich weinig inlaat met diepzinnige, leerstellige zaken. De catechismus is niet toegespitst op systematische doordenking, maar op persoonlijke opbouw en vertroosting: „Wat nut u?” Het is een praktisch leerboek en gebedsboek. Bij die oproep om eraan vast te houden dacht hij wellicht vooral aan zondag 1: we zijn niet van onszelf, maar van Christus. Daar moest hij het ook zelf in leven en sterven van hebben: ik heb Hem niets te bieden, maar Hij is mij alles.”

Aanvechting

Prof. De Reuver hoort in dat woord ”vasthouden” ook iets van aanvechting doorklinken. „Ik ken niemand, behalve Luther, die zo frequent en zo intens van de aanvechting gewag maakt als Kohlbrugge. Vasthouden was voor hem: vastgehouden wórden, door de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Vasthouden is dus geen krachtmeting, maar ondanks eigen krachteloosheid en alle tegenkrachten genoeg hebben aan Christus’ genade.”

Voelde hij misschien een toenemende afval onder jongeren? In zijn belijdenispreken over de Heidelbergse Catechismus die in de bundel zijn opgenomen, blijkt dat hij bezorgd is over een goedkoop en vriendelijk godsbeeld, zonder kennis van ellende en zonde.

Prof. De Reuver: „Dat er jongeren afhaakten, is mij niet bekend. Maar wat ik wel weet, is dat Kohlbrugge zich geen kennis van Christus kan voorstellen zonder een diep zondebesef. Niet voor niets houdt hij de heiliging verstrengeld met de rechtvaardiging, want juist in de heiliging komt de mens zichzelf tegen. Niet als heilige maar als onheilige voor de heilige God, dus als zondaar die op genade aangewezen is. En Kohlbrugge wist als weinig anderen dat genade wel gratis maar niet goedkoop is.”

Hoe functioneerde de drieslag ellende, verlossing en dankbaarheid in zijn prediking?

Prof. De Reuver: „Kohlbrugge beschouwt die zeker niet als een opklimming met drie trappen, waarbij je de een na de ander achterlaat en bevorderd wordt tot een volgend stadium. De drie stukken vormen veeleer één drievoudig genadegeschenk. We hebben ze alle drie ”van horen zeggen”. God zegt in Zijn heilige wet, en in het kruisevangelie bij uitstek, hoe ellendig en schuldig ik eraan toe ben. In de evangeliebeloften zegt Hij mij de verlossing in Christus toe en verbindt Hij mij aan Hem Die ons tot heiliging geworden is. Opwas? Jawel, maar dan zoals Kohlbrugge zegt: Als men meent volleerd te zijn, dan moet men weer van voren af aan beginnen.”

Kohlbrugge kritiseert in een van zijn laatste preken ouders omdat ze vaak te traag zijn om hun kinderen in de rechte leer te onderwijzen.

Boele: „Hij vond dat de catechisatie thuis moest beginnen, gepraktiseerd door de ouders. Maar vergeet ook niet dat heel wat mensen in zijn gemeente een zwaar leven hadden, inclusief de kinderen. Denk maar aan de kinderarbeid in de weefindustrie. Arbeiders werkten met hun kinderen urenlang in barre omstandigheden”

Hoe beoordeelde Kohlbrugge het geestelijk gehalte van zijn gemeente?

Boele: „Hij zegt dat nauwelijks een vierde deel van hen die naar de kerk komen en Gods Woord lezen, werkelijk acht slaat op wat ze horen en wat geschreven staat. Aan de andere kant: als je van zijn gemeente leest van twaalf tot veertien tafels avondmaalgangers –van zo’n veertig deelnemers per tafel– kun je concluderen dat nagenoeg de hele gemeente deelnam aan het avondmaal. In zijn dagboekaantekeningen hield hij dit nauwkeurig bij.”

Prof. De Reuver: „Kohlbrugges zorg deed niets af van zijn royale manier van preken. In de diakonia, de uitdeling, van de verzoening brengt hij het heil naar ieders hart. Ontdekkend, dringend en uitnodigend. Zo kan hij zeggen: „Waarom blijft u van verre staan? Neem uw dierbare Bijbel ter hand, en sla daarin Gods waarheid op. Als u niet gelooft wat daarin staat, gaat u verloren.””

Boele: „Wie gelooft, heeft aan eigen geloof geen houvast, zegt Kohlbrugge, maar alleen aan het Woord.”

Prof. De Reuver: „Ja, dat is echt karakteristiek voor hem: We geloven niet in ons geloof, maar in het Woord, dat in Christus vlees en bloed geworden is. Dat schept ruimte. Wie vraagt: „Is het wel voor mij?”, krijgt ten antwoord: „Vraag uzelf eens af, waarom het níét voor u zou zijn?””

Wat kunnen we voor deze tijd leren van Kohlbrugges preken over de Heidelberger?

Prof. De Reuver: „Ik denk vooral aan zijn concentratie op de vergeving van de zonden. Volgens Kohlbrugge kennen we God aan dit ene, dat Hij de zonden vergeeft. Deze concentratie op de rechtvaardiging door het geloof had hij van geen vreemde. Hij was bij Luther in de leer geweest.”

Boele: „Kohlbrugge schrijft ergens: God denkt waarlijk niet meer aan de zonde, Hij kan het niet eens onthouden dat Zijn kind gezondigd heeft, Hij denkt er alleen nog aan dat het Zijn kind is, en zegt: „O, dat wil Ik u gaarne vergeven.””

Prof. De Reuver: „Kohlbrugge heeft maar één hartstocht: het hart van de onheilige zondaar hechten aan het hart van de heilige God. Zijn preken zijn een medicijn tegen de kwaal die onze tijd typeert: het modieuze ideaal om dicht bij jezelf te blijven. Maar wie bij zichzelf blijft, vindt daar alleen zichzelf en blijft steriel. Kohlbrugge preekt: Eruit met jezelf, waag de sprong, val in de armen van Christus en blijf bij Hém. Zodat je mag belijden: „Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.” Wat van Kohlbrugge ook te leren is, is dat deze eigendomsverwisseling een perspectiefwisseling impliceert: in plaats van het aardse verlangen naar status, macht en genot, domineert het verlangen naar de heerlijkheid. Daarboven staat de vreemdeling al ingeschreven. Straks mag hij naar Huis.”

Boekgegevens

De eenvoudige Heidelberger, dr. H. F. Kohlbrugge; uitg. Den Hertog; 576 blz.; € 44,90.