De DAF als motor achter een fluwelen revolutie

Provo’s in Amsterdam keken neer op de burgerlijke Daf. beeld RD, Anton Dommerholt
2

De DAF heeft niet zo’n best imago. De „suffe truttenschudder” staat symbool voor de gezapigheid van de jaren vijftig. Tegelijk was de DAF een „fenomenale industriële en economische prestatie.”

Thomas Vaessens, hoogleraar letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, schetst aan de hand van de geschiedenis van de DAF hoe Nederland na de Tweede Wereldoorlog in rap tempo moderniseerde. De twee tegenstrijdige DAF-beelden weerspiegelen wat hem betreft „fundamentele spanningen” in dat proces. Want wie mag nu werkelijk de modernisering op zijn naam zetten?

Een van de opvallendste conclusies uit ”De DAF van mijn vader” is dat we ons niet al te zeer moeten blindstaren op de protestgeneratie van de provo’s die in Amsterdam en andere steden met veel lawaai de vrijgevochten jaren zestig inluidden en neerkeken op de burgerlijke DAF. In de Peel in West-Brabant had zich op dat moment allang „een fluwelen revolutie” voltrokken. Met dank aan Hub van Doorne, die in 1958 in Deurne een personenauto op de markt bracht: diezelfde DAF, met het pientere pookje.

Ondernemer Van Doorne gaf volgens Vaessens „op een vanzelfsprekende manier en conflictloos” vorm aan de „nieuwe, moderne manier van leven” die bij de wederopbouw paste. „Hij zorgde in het naoorlogse Brabant niet alleen voor werkgelegenheid en welvaart, hij gaf –met al zijn invloed op het dagelijks leven van nagenoeg iedereen in de streek– ook ruim baan aan ontwikkelingen waarvoor later de protestgeneratie met veel vertoon de credits zou opeisen.” Het gaat daarbij om „een aantal van de ingrijpendste ontwikkelingen”, zoals de toenemende welvaart, vrije tijd en automobiliteit, de emancipatie van de middenklasse en van de vrouw.

Dwarsverbanden

De geschiedenis van de DAF zegt veel over de naoorlogse ontwikkeling van Nederland als geheel. Vaessens legt niet alleen dwarsverbanden met de provo’s, maar ook met de sluiting van de mijnen in Limburg, waarvoor de DAF-fabriek in Born alternatieve werkgelegenheid moest bieden. En met het relatief sterke milieubewustzijn dat eind jaren zestig opkwam, de massamotorisering onder kritiek stelde, maar in de praktijk nauwelijks een dempend effect had. En onvermijdelijk ook met de tweede feministische golf en de seksuele revolutie.

Vaessens schetst het beeld van een land dat in korte tijd bijna onherkenbaar veranderde. Niet zozeer dankzij de protestgeneratie, maar juist door de elites waartegen deze generatie in opstand kwam en die prioriteit gaven aan de economische wederopbouw van ons land. Tegelijk boden deze „meeverende” elites (zij het gecontroleerd) ruimte aan zaken waarvoor de provo’s zich sterk maakten, Van Doorne voorop.

Keerzijde

De secularisatie komt bij Vaessens opmerkelijk genoeg maar mondjesmaat aan bod. Tot een revolutie kwam het in het ons land niet, maar de sluipende modernisering die hij schetst heeft wel diepe voren getrokken in ons land. De ontkerkelijking is een van de schrijnendste effecten van dit proces geweest. Materiële welvaart en individuele vrijheid hebben sociale structuren aangetast en God voor veel mensen overbodig gemaakt. Meer aandacht voor deze keerzijde had Vaessens boek completer gemaakt.

Dat laat onverlet dat Vaessens een intrigerende sociaalculturele geschiedenis van ons land schreef, met een originele invalshoek. Hoewel het boek goed leesbaar is, hanteert Vaessens de stijl van een wetenschapper. Het gebruik van sociologische termen en abstracte formuleringen had wat kunnen worden beperkt. Het citaat van A. F. Th. van der Heijden boven de epiloog is een kras in de lak.

Boekgegevens

De DAF van mijn vader, Thomas Vaessens; uitg. Atlas Contact, Amsterdam, 2018; ISBN 978 90 450 3598 7; 271 blz.; € 19,99.