De bestemming van de samoerai

Shusaku Endo. beeld Peter Owen Publishers
2

In het Reformatorisch Dagblad van 11 en 14 juni verschenen twee artikelen over de protestantse kerken in Japan. De kerk kwijnt er, slechts 1 procent van de 126 miljoen inwoners is christen en het aantal kerkleden daalt. „Bid voor ons, stuur zendelingen”, vragen Japanse christenen.

Die artikelen sluiten goed aan op de roman ”De samoerai” van de rooms-katholieke Japanse schrijver Shusaku Endo (1923-1996). In deze roman, die bij Kok opnieuw is uitgegeven, vind je als het ware een bevestiging voor de stelling dat het christelijk geloof (zowel de rooms-katholieke als de protestantse variant) niet lijkt te passen bij het DNA van het overwegend shintoïstische Japan, dat een natuurgodsdienst aanhangt.

Toch was er ooit een (korte) bloeitijd van het christendom in Japan. Rond 1550 konden rooms-katholieke missionarissen er vrijuit evangeliseren. Het tij keerde in 1597 toen er een edict werd uitgevaardigd; het christendom werd verboden en vervolgd, ging ondergronds en martelaren stierven een wrede dood.

Over deze periode schreef de rooms-katholieke schrijver Shusaku Endo de romans ”Stilte” en ”De samoerai”. ”De samoerai” is opnieuw uitgegeven in een mooie vertaling van Bartho Kriek. Hoofdpersoon is een deemoedige leenman wiens vader door de ”hoge heer” het onvruchtbare moerasland kreeg toegewezen. Hij woont er met vrouw en zoon en zwoegt er samen met de boeren – een hard bestaan. Samoerai betekent: hij die dient.

Gezantschap

Deze samoerai, Roku Hasekura, wordt samen met drie andere samoerai verkozen om als gezant met een delegatie Japanse kooplui af te reizen naar Nieuw-Spanje, Mexico. De bedoeling is om handelsbetrekkingen tussen het wereldrijk Spanje en Japan aan te knopen. De samoerai heeft weinig zin in deze hachelijke onderneming, maar hij is gehoorzaam en plichtsgetrouw en scheept zich in op een nieuw gebouwd schip.

De fanatieke missionaris Pedro Velasco gaat mee als tolk, hij is het ik-personage in de roman. Velasco speelt een sleutelrol: hij leidt het Japanse gezelschap (dat hij probeert te bekeren) niet alleen naar Mexico, maar verder, naar Sevilla, naar Madrid en ten slotte naar Rome. Ze zullen er vier jaar over doen. Tijdens de tocht verkeren ze in barre omstandigheden en gevaren en lijden de nodige ontberingen.

Velasco heeft een geheime agenda. Hij wil van Filips III gedaan krijgen dat niet de jezuïtische maar zijn franciscaner orde de missie in Japan bepaalt. Hij aast op de functie van bisschop in Japan. Als hij dit niet in Madrid voor elkaar krijgt, probeert hij een audiëntie bij de paus in Rome te krijgen, waar hij zijn Japanse gezanten als trofee wil binnenvoeren.

Dopen

De samoerai wantrouwen Velasco echter en een van hen besluit al in Mexico met de kooplui terug te keren. Gedrieën gaan de overgebleven samoerai verder, met hun bedienden, onder leiding van Velasco. In Madrid krijgt Velasco zijn Japanners zo ver dat ze zich laten dopen – ze doen het voor de vorm om hun missie te laten slagen.

Een tweede gezant krijgt het te kwaad met zijn bekering. Hij durft zijn familie in Japan niet meer onder de ogen te komen en pleegt op de terugweg, in Mexico, zelfmoord.

Als samoerai Roku Hasekura na al deze omzwervingen bij zijn vrouw en zoon in het moerasland terugkeert, wacht hem alsnog de doodstraf. Want hij heeft zich, zij het weliswaar voor de vorm, in Madrid tot het christendom bekeerd en zich laten dopen. In zijn vaderland is de christenvervolging dan in volle hevigheid losgebarsten.

Indianen

De ontmoeting van Roku Hasekura met een afvallige Japanse monnik in het dorp Tecali bij Puebla in Mexico is een cruciaal fragment in de roman. „Ik geloof in mijn eigen Jezus”, zegt deze Japanner. „Mijn Jezus vind je niet in de vorstelijke kathedralen. Hij woont onder deze ellendige indianen…”

De samoerai heeft sinds zijn vertrek uit Japan alleen maar over het christendom horen praten; overal zag hij mensen knielen voor een afschuwelijke uitgemergelde man. „In een klein moeraslandje grootgebracht als hij was, kon hij geen belangstelling of meeleven voelen voor die man die Jezus heette. Zo’n religie was hem vreemd en zou dat ook blijven zo lang hij leefde.” Hij snapte niets van het christendom.

Historisch

Deze aangrijpende roman is op historische feiten gebaseerd. Endo heeft het thema magistraal uitgewerkt. Endo behoorde tot de zeer kleine minderheid van Japanse rooms-katholieken. Hij was kind van gescheiden ouders, zijn moeder bekeerde zich tot het christendom. Bij zijn doop in 1934 kreeg Endo de doopnaam Paulus. Maar hij was ambivalent in het geloof, twijfelde steeds. Want hoe ben en blijf je christen als je in een shintoïstische cultuur bent gedrenkt? Hoe verhoud je je tot een geloof waarvoor je niet zelf hebt gekozen?

Endo wist hoe het was om een buitenstaander te zijn. Hij worstelde net als de samoerai met die „uitgemergelde man aan het kruis.” De samoerai werd een naamchristen, maar werd bij zijn terugkeer in Japan als een verrader beschouwd. Dat heeft ook Endo ervaren: zijn doop maakte hem in Japan tot een outsider. Tijdens zijn studieverblijf in het naoorlogse Frankrijk ervoer hij de vreemdelingschap heel sterk.

Grootste uitdaging

Zijn hele leven hield Endo zich bezig met het christelijk geloof en worstelde hij met morele dilemma’s. „Het is om de levenslange rij van armzalige Christusgestalten die door zijn oeuvre wandelt dat Endo herinnerd zal worden als een der zeer groten, vergelijkbaar met Dante of Dostojevski. Hij heeft de grootste uitdaging van de tweede helft van zijn eeuw geformuleerd, en is die vervolgens aangegaan: literatuur en God weer bij elkaar denken en schrijven”, schreef Willem Jan Otten eind april 2006 in NRC.

Het is hartverscheurend om te lezen hoe de samoerai terugkeert in zijn vaderland dat hij niet wilde verlaten en dat hij alleen verliet omdat hij zijn heer gehoorzaamde. Hij kan de schuld niet van zich werpen, hij kan niet vertellen wat hij heeft meegemaakt en uitleggen dat hij, louter om de zaak van zijn heer te dienen, christen is geworden. Hij wordt als verrader gezien en als een onschuldig lam ter slachting geleid.

Als hij dan in het moerasland nadenkt over wat hem overkomt, diept hij een bundeltje papieren op dat de Japanse man in Tecali hem meegaf. „Hij is altijd bij ons. Hij luistert naar onze ellende en ons verdriet. Hij weent met ons. En Hij zegt tegen ons: „Zalig zij die in dit leven wenen, want in het rijk van de hemelen zullen zij lachen.””

Kort voor zijn terechtstelling haalt hij zich de uitgemergelde Man aan het kruis weer voor de geest. En dan voelt hij om een of andere reden niet meer de verachting voor Hem die hij eerder had gevoeld. Al tijdens zijn reis had de samoerai het gevoel gehad dat hij van zijn bestemming was afgeweken. En toch brengt het einde van de reis hem naar zijn ware eindbestemming.

Boekgegevens

”De samoerai”, Shusaku Endo; uitg. Kok, Utrecht, 2018; ISBN 978 90 435 2173 4; 288 blz.; € 15,-