Column (Christine Stam-van Gent): Als de muren breken

Christine Stam-van Gent. beeld RD, Anton Dommerholt

Op mijn tafel ligt al tijden een boek te wachten tot het 1 februari is. Over ”Een muur van water” van Teuntje de Haan wilde ik schrijven in de week van de watersnoodramp. Intussen is Teuntje de onderste geworden van een grote stapel en vergeet ik haar bijna. Totdat in deze krant de naam Adrie Cijsouw opduikt, waterstaatkundig opzichter te Rilland. Meteen sta ik op scherp, want Adrie Cijsouw was de broer van mijn oma, die in 1942 door een neerstortend vliegtuig op haar ouderlijk huis zeven familieleden verloor. Adrie overleefde dit. Deze broer had ze nog. Tot 1953.

En daar trekt Teuntje aan m’n mouw, want toen ik haar boek las –een zoektocht naar haar vader die verdronk– had ik ook al aan Adrie Cijsouw moeten denken. Zo’n verhaal doet iets met je, al heb ik deze oudoom nooit gekend. In de krant las ik details die ik nog niet kende. Vermoedelijk is er ook niet veel over gepraat, net als bij Teuntje. Over de ramp sprak je niet.

Het viel een arts op Goeree-Overflakkee op dat haar oudere patiënten bijna geen psychische klachten hadden als gevolg van de watersnoodramp. Niet klagen maar dragen ‘werkte’ dus. Daar kun je allerlei psychologische vraagtekens bij zetten, maar allereerst vraagt het om respect. Zwaar getraumatiseerde mensen hebben het leven weer opgepakt, gezinnen gesticht, kinderen (liefdevol) grootgebracht. Daar mag je nooit laatdunkend over doen.

En toch, we geven altijd dingen door. Het aantal tweede-generatie-slachtoffers is niet te verwaarlozen. Wat het hoofd verdringt, waar de mond over zwijgt, bewaart het lichaam. Zelfs herinneringen waar we nog geen taal voor hadden. Op 1 februari 1993 zet Teuntje de Haan haar autoradio aan, en hoort dan het monotone gebrom van een tweemotorig vliegtuig. „Heel diep in mijn geheugen werd iets geraakt”, schrijft Teuntje. „Ik kénde dit geluid.” Van de zolder in Nieuwe-Tonge, van die ene nacht, toen ze nog maar drie was. Dat geluid leidde tot een boek. Leidde tot gesprekken met haar oude moeder. Zo kreeg Teuntje meerdere ‘wegwijzers’ die je geen toeval kunt noemen. Voor haar een vraag „of er soms meer is tussen hemel en aarde”, voor mij een bewijs van verborgen leiding in werkelijk alle dingen.

Ik denk dat Teuntje de stem is van velen. Maar ze is ook een aanmoediging voor wie zelf het zwijgen doorbreken wil. Die muren van water, van oorlog, van wat dan ook. Muren breek je niet met geweld, maar met geduld en gebed. Heb oog voor kleine wegwijzers: een onverwachte ontmoeting, een aarzelende opening tot gesprek, een artikel, een column misschien. Het zouden zomaar de zandzakken kunnen zijn waarmee de gestage stroom van een van generatie op generatie doorgegeven trauma gestopt wordt.