Column: Áls je maar leest, maakt niet uit wat

Boekenweek2020
Özcan Akyol.​ beeld ANP

Wie z’n schuld is de ontlezing, hoe keren we het tij en hoe houden we de jongeren erbij? Over het Boekenweekessay is een heftige discussie losgebarsten, die precies lijkt op de discussie over secularisatie in de kerk.

Het Boekenweekessay van dit jaar –”Generaal zonder leger”– zorgt voor een relletje. Auteur Özcan Akyol haalt in zijn tekst hard uit naar de stoffige, vastgeroeste boekenwereld, die arrogant neerkijkt op schrijvers die op televisie optreden of op lezers die lekker de romantische verhalen van Lucinda Riley lezen. Vind je ’t gek, zegt Akyol, dat niemand meer lezen wil?

”Rebellen en dwarsdenkers” is het thema van de Boekenweek, en rebels is het boekje van schrijver en programmamaker Akyol zeker. Iedereen moet eraan geloven. De auteurs en recensenten in hun zelfbevestigende bubbel, de neerlandici en docenten met hun achterhaalde ideeën over literatuur, de boekhandelaren met hun arrogante houding ten opzichte van de ‘lage’ cultuur, de jonge, aanstormende schrijvers die alleen nog maar navelstaarderig proza publiceren omdat ze eigenlijk niets te vertellen hebben en bang zijn om in conflict te raken met de mensen die de recensies schrijven en de prijzen verdelen.

De discussie begon met de Veenendaalse boekhandelaar Albert van Kooten, die aan de vooravond van de Boekenweek een doos boekjes van Akyol uitpakte. Hij sloeg een exemplaar open en kwam op de eerste bladzijden zichzelf tegen, afgeschilderd als een zelfgenoegzame boekhandelaar die op zijn klanten neerkijkt en dingen zegt als: „Je wilt het natuurlijk niet, maar die boekjes van mevrouw Riley vliegen als zoete melkbroodjes over de toonbank. Het is werkelijk vreselijk.” Van Kooten vond dat zijn goede naam werd geschaad in een boekje dat in een oplage van zo’n zeventigduizend verschijnt, waar de boekhandel zelf voor betaalt en dat de boekhandel moet verkopen.

Het Algemeen Dagblad rook een rel en suggereerde dat de Koninklijke Boekverkopersbond het essay wilde verbieden. Akyol deed geheimzinnig en zei dat er inderdaad iets speelde, „maar daar mag ik niks over zeggen”. Maar achteraf lijkt het allemaal mee te vallen. Van Kooten stelt zich sportief op: hij verkoopt de essays nu mét inliggende bladwijzer: „Elke overeenkomst met bestaande personen berust op toeval. Veel leesplezier, boekhandel Van Kooten.”

Maar daarmee is het stof nog niet neergedaald, want de Veenendaalse boekhandelaar is bepaald niet de enige die zichzelf terugvindt in Akyols essay. Allerlei schrijvers, recensenten, boeken, programma’s en evenementen worden met name genoemd, niemand komt er zonder kleerscheuren vanaf. Daar kan de boekenwereld dus nog lang op vooruit. De kranten zijn alvast begonnen met reacties van jonge schrijvers (De Volkskrant) en reacties van boekenlezers (Trouw), en op sociale media vinden alle boekenvakkers er ook wat van. Misschien bevestigt dat wel Akyols punt: de boekenwereld is veel met zichzelf bezig.

Alle partijen in het conflict hebben hetzelfde probleem: het gaat niet goed met de boekenwereld, doordat de ontlezing hard heeft toegeslagen. Vooral onder jongeren. Net als al zijn tegenstanders is Akyol een bevlogen boekenzendeling die oprecht gelooft „dat onze jongeren slimmer, empathischer en grappiger worden als ze boeken gaan lezen.” Maar hij gelooft ook, anders dan anderen, dat de ontlezing de schuld van het boekenvak zelf is. Als we maar meer ons best doen, denkt hij, als we maar leuker en grappiger en minder wereldvreemd, zelfgenoegzaam of elitair zijn, als we de mensen maar meer tegemoetkomen in hun behoeften, dan moet het toch beter gaan. Maar ja, dat gelooft niet iedereen, en dat is dus waar de ruzie over gaat.

Het doet onweerstaanbaar denken aan een religieus conflict, zo’n soort conflict waarmee menige kerkelijke gemeente ervaring heeft. Die hele ontlezingsdiscussie lijkt trouwens als twee druppels water op de discussie over secularisatie in de kerk. Aan de ene kant heb je de conservatievelingen die het liefst alles willen bewaren zoals het was, die een cultuur en een traditie verdedigen die ze ten onder zien gaan. En aan de andere kant zijn er de vernieuwers die alles willen veranderen, die afrekenen met de traditie en wanhopig nieuwe vormen en laagdrempeliger activiteiten bedenken – alles om maar jongeren te bereiken. Áls ze maar naar de kerk komen. Toegepast op de boekenwereld: áls ze maar lezen.

Akyol lijkt dus op zo’n enthousiaste progressieve jongen die alle heilige huisjes in zijn traditionele kerk wil omtrappen, want kerkverlating, dat ligt wat hem betreft aan de kerk zelf. Hij is trouwens niet de enige die dat vindt. De nieuwe strategie van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), de organisator van de Boekenweek, lijkt er helemaal op gericht: áls de mensen maar lezen, maakt niet uit wat. Zie de omstreden uitspraak die de CPNB-directeur onlangs deed: lezen moet een soort ”cup-a-soup-momentje” worden. Iets wat lekker is en makkelijk verteert dus, een korte snack tussendoor.

Maar tegen die strategie van de ene groep –alles leuker en moderner en lekkerder en laagdrempeliger maken– komt een andere groep in het geweer. Een groep die zegt: „Lezen doe je niet alleen maar omdat het leuk is, maar vooral omdat het belangrijk is. Omdat het je kennis vergroot, je wereldbeeld scherper maakt en je persoon vormt. Daar moet je moeite voor doen, zoals je voor wiskunde moeite moet doen. Bovendien: over smaak valt wel degelijk te twisten. Niet alles wat je leuk en lekker vindt is ook goed voor je.”

Die twee groepen bevechten elkaar. Allebei hebben ze op bepaalde punten gelijk. Allebei willen ze, op hun eigen manier, de ontlezing te lijf gaan. Maar het tij keren, dat is natuurlijk niet iets wat je met enige inspanning zomaar kunt. Alleen als je een tijd wacht, dan kan het soms gebeuren dat de vloed weer opkomt. Intussen kun je zelf wél vast hard aan het lezen slaan en je omgeving stimuleren. Elke lezer is er één.