Christelijke jeugdboeken over Jodenbekeringen

5

Hedendaagse reformatorische jeugdverhalen zijn niet van antisemitische smetten vrij. Dat concludeert Ewoud Sanders in zijn dissertatie over verhalen van Jodenbekeringen, waarvan in maart een publieksuitgave verschenen.

Daarin komen veel reformatorische bronnen voor: Reformatorisch Dagblad, Gezinsgids, DRS-magazine, De Wachter Sions, De Saambinder, Terdege, Daniël, Criterium enzovoorts. Alle reden om het boek, dat ons een spiegel voorhoudt, met aandacht te lezen.

De studie bestaat uit drie delen: een goed leesbare inleiding met de titel ”Historische context en analyse” (ongeveer 130 pagina’s), een bronnendeel waarin alle onderzochte verhalen beschreven worden (300 pagina’s) en een overzichtendeel met schema’s en tabellen (40 pagina’s). Daarna volgen de noten, waarin de gebruikte literatuur is opgenomen. Helaas ontbreken een register en een lijst van gebruikte literatuur.

In de inleiding komt eerst uitvoerig de historische context aan bod. Vervolgens passeren uitgevers, auteurs, vertalers en illustratoren de revue en worden doelgroep en doelen, verspreiding en receptie besproken. Sanders heeft 67 protestantse en 13 rooms-katholieke verhalen over Jodenbekeringen gevonden. De laatste rooms-katholieke boeken dateren van de jaren vijftig, de protestantse zijn van recenter datum en nog altijd op de markt.

Zending

Aanvankelijk blijkt de Jodenzending een belangrijke drijfveer voor het schrijven en uitgeven van deze verhalen. Maar ook een beter begrip en een beter gedrag ten aanzien de Joden is als doel geformuleerd, evenals het geven van „voorbeelden van zonde en genade.” Jodenbekering wordt als vrucht van het Réveil in de negentiende eeuw een belangrijk thema in de zondagsschoollectuur. Auteurs als Jan de Liefde en Eduard Gerdes bieden lectuur die de veelal onkerkelijke zondagsschoolkinderen moet doordringen van „het eene nodige.” Sommige titels worden nog gelezen.

De recensies uit ”de eigen pers” zijn boeiend. Waar de ene recensent een jeugdboek positief beoordeelt omdat het Jodinnetje „trouw mee naar de kerk gaat en persoonlijk de Messias leert kennen”, vindt de ander de bekering ongeloofwaardig, eenzijdig, toevallig, een snelbekering, zoals Nicolaas Beets daarover schrijft in ”Engelsch tractaatje”: „Op de eerste bladzijde, een die zich voor God niet buigt, / En voor de menschen leeft in allen boozen handel; / Reeds op de derde, een kind, geloovig, overtuigd, / Een voorbeeld, op de vierde, in leer zoowel als wandel.”

Van unanieme waardering is meestal geen sprake; iedere recensent ziet graag de accenten van het eigen kerkverband in het verhaal terug.

Verhaalpatronen

In het tweede deel –”De verhalen”– onderscheidt Sanders een aantal vaste patronen: de Joodse hoofdpersoon leert van leraren, buurt- of klasgenoten over het geloof, krijgt vervolgens catechisatie of doet aan zelfstudie, ondervindt altijd tegenstand van andere Joden, maar wordt door christenen geholpen. De onbekeerde Joden kunnen zeer agressief zijn, maar de christenen staan klaar om te helpen. Een stevig contrast.

Het is duidelijk dat een auteur die een bekeringsverhaal schrijft, juist behoefte heeft aan contrasten. Er zijn goede en slechte personages, Joden en christenen, bekeerden en onbekeerden. Haat en agressie hebben een functie: ze onderstrepen de felle overtuiging van de tegenpartij. Dat levert vrijwel altijd een clichéverhaal op. Is het mogelijk op deze manier een levensecht verhaal te vertellen? Een aantal recensenten stelde die vraag in 1932 al.

Opleving

Het is merkwaardig dat een boek als ”Rosa Fluweeltje” (1872) van Eduard Gerdes in 1980 opnieuw wordt uitgegeven, terwijl het vijftig jaar eerder al als verouderd werd beschouwd. De spelling is herzien en het omslag gemoderniseerd. Een dergelijke opleving kenden de verhalen ”De stervende tamboer” (1888) van Karel Coulson, ”De blinde ziet” (1925) van Ida Keller en ”Thirza of de aantrekkingskracht van het Kruis” (1841) eveneens.

Velen zullen deze titels uit het bronnendeel herkennen, maar niet op de hoogte zijn van de drukgeschiedenis en de aanpassingen in de loop van de tijd. Die roepen vragen op. Sanders neemt ”Thirza” als voorbeeld. In 1981 verscheen het als hervertelling van N. den Ouden-van Bruchem. Deze is explicieter in de weergave van de Jodenhaat tegen christenen dan het origineel, de vergelijkende citaten spreken voor zich.

Vanwege dergelijke voorbeelden neemt Sanders, zelf zoon van een Joodse vader, het woord ”antisemitisme” in de mond. Vanouds gaat dat samen met filosemitisme, stelt hij: we koesteren de Joden, maar ze moeten net zo worden als wij, christenen. De Anne Frank Stichting vindt dat ”Thirza” discrimineert en vooroordelen bevestigt. Zij suggereert: „Het is zonder meer mogelijk vanuit een christelijke visie geschreven jeugdboeken te produceren zonder te vervallen in vooroordelen en discriminatie van minderheden.”

Literatuur

In literair opzicht verdient geen van de bekeringsverhalen een compliment, concludeert Sanders. Ze hebben vaste patronen, zijn voorspelbaar, de personages zijn clichématig getekend; veel Joden zijn types die de lezer op grond van een beperkt aantal uiterlijke zaken meteen kent. Verder zijn de literaire middelen als stijl, perspectief, woordkeus en plot onder de maat. Een aantal recensenten heeft daar wel oog voor, maar de meerderheid focust uitsluitend op de boodschap: als die goed is, doet de verpakking er weinig toe.

Een jeugdboek dat met te veel goede bedoelingen is geschreven, kan een positieve werking in de weg staan. Is het dan wel mogelijk om een goed verhaal te schrijven waarin een bekering voorkomt? De auteur zal in ieder geval minder expliciet moeten zijn en het geloof als wezenlijk aspect van een écht mens, een levensecht personage moeten tekenen. Hierover heeft de Duitse pedagoog Heinrich Wolgast behartenswaardige zaken geschreven. Hij is van mening dat alle religieuze literatuur van het basisprincipe moet uitgaan dat zij een authentieke beschrijving van het leven geeft. Religie moet een integraal deel van iemands persoonlijkheid zijn. Deze literatuur is er niet om een bepaalde denominatie te dienen, zij sluit dat zelfs uit.

Bezinning

Wie Wolgasts standpunt huldigt, kan met de verhalen over Jodenbekeringen die Sanders onderzocht heeft, niet uit de voeten. Die wil geen clichés, maar zoekt naar eigenheid en schrijft met respect over de ander. De Bijbel kent zulke authentieke verhalen, geschiedenissen: ze gaan over mensen die bij de hand genomen worden en hun leven met God gaan met vallen en opstaan. Niet schematisch, wel levensecht. Sanders’ specialistische studie vraagt om bezinning.

Boekgegevens

”Levi’s eerste kerstfeest. Jeugdverhalen over jodenbekering, 1792-2015”, Ewoud Sanders; uitg. Vantilt, Nijmegen, 2017; ISBN 978 94 600 4288 1; 499 blz.; € 29,50.