Briljante kohlbruggiaan Gerhard Fockens overleed in het gesticht

Het Utrechtse krankzinnigengesticht, afgebeeld in het album van Johannes J. F. Wap (1806-1880). Kohlbrugge moet Gerhard Fockens hier geregeld hebben bezocht. beeld Het Utrechts Archief
3

Een hoogbegaafde student, leerling van dr. H. F. Kohlbrugge, raakt getroffen door een „schok in het verstand” en verblijft daarna vooral in psychiatrische inrichtingen. Wat is de conclusie van dit lang verborgen gebleven leven?

Het levensverhaal van Gerhard Regnier Fockens (1810-1870), hoe ongewoon ook, is tamelijk overzichtelijk. Hij was de zoon van een predikant. Hij was heel knap, zo knap dat hij al op 13-jarige leeftijd naar de universiteit mocht. Daar blonk hij uit in de klassieke talen en de wis- en natuurkunde. Hij kreeg een baan als observator bij de Utrechtse sterrenwacht. Hij kwam tot bekering en vond in H. F. Kohlbrugge zijn geestelijke leidsman. Maar toen ging het mis. Hij werd krankzinnig en verbleef jarenlang in inrichtingen. Hij overleed in Ermelo, waar het zachte licht van het milde Evangelie dat daar regeerde de duisternis en gekte langzaam verdreef.

Maar wie dit leven nader onderzoekt, zoals prof. Mart van Lieburg in zijn deze vrijdagmiddag gepresenteerde, vuistdikke boek over Fockens heeft gedaan, ziet dat de overzichtelijkheid plaatsmaakt voor een verwarrende complexiteit. Van Lieburg noemt zijn boek, opgedragen overigens aan ds. A. Vergunst („die mij in onvergetelijke gesprekken deelgenoot maakte van zijn bewondering voor de sterrenhemel als Gods ”uitspansel””), herhaaldelijk een pathobiografie.

Gerhard was de zoon van een predikant, maar van wat voor een predikant! Lucas Fockens was de predikant van Sneek, oud-hervormd (al was hij een neef van Hendrik de Cock), orthodox-bevindelijk, in het beroemde boek van Wumkes getypeerd als de vader van het Friese Réveil. Hij was zorgzaam en liefdevol maar ook zeer dominant, zijn zoon voortdurend aansporend de Bijbel in het Hebreeuws en Grieks te lezen en het liefst twee keer te promoveren. Gerhards moeder blijft op de achtergrond, ziekelijk als ze vaak was, naar lichaam en naar geest.

Eeuwige student

Gerhard doorliep de Latijnse school in Sneek en reisde daarna af naar Utrecht. Hij vestigde daar de reputatie van de „beminnelijkste en geleerdste student van zijn tijd”, maar toen hij in 1839 voor het eerst in een krankzinnigengesticht werd opgenomen, stond hij ook bekend als de „eeuwige student.” Hij had immers maar liefst zestien jaar gestudeerd, maar van een promotie, laat staan van twee, was het niet gekomen en de studie theologie had hij ingeruild voor de wis- en natuurkunde. Als wis- en natuurkundige had hij wel vier keer een gouden medaille gewonnen voor zijn antwoorden op prijsvragen (1830-1837).

Maar tijdens zijn studietijd was hij al geteisterd door perioden van diepe eenzaamheid en somberte, door conflicten, door een „ongebreidelde na-ijver en een overprikkelde eerzucht” ook, en was daarom zwaar gefrustreerd geraakt. Een dissertatie over de komeet van Halley mislukte in 1838. In 1835 was hij getroffen door een „schok in het verstand.” Hij werd eenzelvig, weigerde medicijnen te gebruiken, gedroeg zich soms agressief, was tot weinig meer in staat en moest aan de samenleving worden onttrokken. Van Lieburg houdt het op een variant in het spectrum van de schizofrenie.

Wedergeboorte

En dan zijn bekering. In de pastorie waarin hij was geboren, die van Sneek, klonk in een nacht van de zomer van 1833 een kreet van wedergeboorte: „Genade! Ontferming! Heere Jezus!” Die Naam, aldus Gerhard zelf, „klonk in de holle nacht door ons huis, en moge dit aan allen verkondigen –want voor de poorten des doods liegt men niet– dat het mijn enige troost is in leven en sterven, dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers eigen ben.” Maar Kohlbrugge wist het zo net nog niet.

Toen Gerhard zich kort daarna in Utrecht bij hem meldde, was Kohlbrugge niet thuis (hij verbleef die zomer in het Wuppertal). Pas met Pinksteren 1834 kwam het tot een ontmoeting, die Gerhard in een „schrikkelijke gemoedsstrijd” stortte. Kohlbrugge vroeg hem naar „mijnen weg”, en toen Gerhard hem daarover had verteld, vroeg Kohlbrugge waarmee Gerhard zijn strijd dan precies te boven was gekomen. Gerhard wist daar naar eigen gevoelen geen goed antwoord op te geven en was als een blad begonnen te rillen. Kohlbrugge zei daarop tegen hem: „Nu, na alles, leeft Hij niet?”, en liet hem met deze woorden gaan.

De volgende dag ging Gerhard tot twee keer toe opnieuw naar Kohlbrugge, die toen „vele en goede woorden over het arm-zondaarsgeloof” tot hem sprak. Weer enkele dagen later ging hij opnieuw, maar nu bevrijd van alle zielsbenauwdheid, „en zodra ik Kohlbrugge zag, riep ik uit: Broeder!... en viel naast zijn voeten neer, en aanbad Hem die leeft in alle eeuwigheid, en die de sleutels heeft van de hel en van de dood… Toen viel ik Kohlbrugge om de hals. Hij was altijd de kalmte zelf, en hij tekende mij de weg naar Jeruzalem, en zei mij dat ik naar de Kaap de Goede Hoop ging, dat ik iets voor de zenuwen moest gebruiken en liet mij gaan met de spreuk: ”rustig te midden van de woelige baren”.”

Krankzinnigengesticht

De „schok in het verstand” die hem in 1835 trof, bracht Gerhard enkele jaren later (1839) in het krankzinnigengesticht van Utrecht. Kohlbrugge moet hem daar geregeld hebben bezocht, al was het maar omdat de broer van zijn tweede vrouw daar ook verbleef. In 1843 werd Gerhard overgebracht naar het gesticht in Zutphen. Tussen 1850 en 1866 vond hij rust in een verscholen bestaan in Friesland, aanvankelijk bij zijn twee zusters, daarna in de pastorie van zijn broer Bert te Jutrijp. Hij maakte er onder andere het overlijden van zijn vader mee. Toen deze op zijn sterfbed lag, sprak hij met hem in het Grieks over enkele teksten uit het Nieuwe Testament.

Zijn laatste vier levensjaren woonde Gerhard in het Huis van Barmhartigheid te Ermelo, gesticht door ds. Hermanus W. Witteveen. Het verblijf daar moet hem goed hebben gedaan. Hij verrichtte werkzaamheden, zoals het vertalen van „Engelse en godsdienstige stukjes”, en voerde goede gesprekken met ds. Witteveen. Hij overleed onverwacht op een vroege morgen in februari 1870. Witteveen schreef in zijn dagboek dat hij de avond ervoor „nog een goed gesprek over de dingen des Eeuwigen Levens” met hem had gehad, en dat Gerhard hem had gezegd „geen vrees des doods meer te hebben.” Bij zijn begrafenis zong een schare het geloofslied van F. A. Lampe, met de bede om Jezus’ spoedige komst omdat het „mij in mijn vreemdelingschap bang is.”

Zwier

Het leven van Gerhard is slechts aan de hand van beperkt bronnenmateriaal te reconstrueren. Van Lieburg heeft dat opgelost door uitvoerig de context van zijn verschillende levensstadia te beschrijven. En zo komen we in dit boek heel veel nieuwe dingen te weten over de Friese kerkgeschiedenis, het studentenleven in Utrecht, de sterrenkundige wereld van de negentiende eeuw, de Utrechtse kring rondom Kohlbrugge, de psychiatrie van die tijd, en de sociale zorg en zending op de campus van Witteveen in Ermelo.

Van Lieburg schrijft gul en met grootse zwier, maar is in zijn verantwoording tegelijk een toonbeeld van acribie. Door zo’n grote jas om de kleine Gerhard te werpen, komt hij bovendien allerlei familieverbanden en netwerken op het spoor die uiteindelijk een nieuw en beter inzicht in de lijdensgeschiedenis van Gerhard bieden.

Obscuur bestaan

Het is, zo realiseert de lezer zich tijdens het lezen van dit boek, een prachtig verhaal over een tragisch geval, en dat schrijnt. Zo veel talent en intelligentie, zo veel strijd en mislukking, eindigend in een obscuur bestaan dat tot nog toe alleen een enkele astronoom of liefhebber van de geschiedenis van het Réveil niet geheel was ontgaan.

Wat is de conclusie van dit leven? Betsy Groen van Prinsterer, die met een zuster van Gerhard correspondeerde en zijn verpleging financieel ondersteunde, schreef dat Gerhards „treurige omstandigheden” hem uit het gevaar van de wereld hadden teruggetrokken en ze verheugde zich toen zijn ziel na alle lijden bij Christus was. Maar Gerhards vader vond waarschijnlijk de meest juiste woorden. Hij typeerde zijn zo briljante, „maar door zijn grote geleerdheid half suf geworden” zoon als een „gebondene der hope.”

Boekgegevens

De hemelvorser. Gerhard Fockens (1810-1870), Mart van Lieburg; uitg. Matrijs; 607 blz.; € 29,95.