Blythe beschreef het Engelse dorp Akenfield zoals het was

De Engelse schrijver Ronald Blythe (1922) interviewde in de jaren zestig van de vorige eeuw tal van inwoners van een klein dorp in het Engelse Suffolk. beeld iStock
3

Af en toe lees je verhalen van stedelingen die met nostalgie en weemoed verlangen naar de sereniteit van het platteland en daar een huis kopen in of dichtbij een dorp. Om zich neer te vlijen bij de bronnen van het noaberschap (nabuurschap) waarvan ze denken dat het niet meer bestaat. Het dorp is in hun beleving de metafoor voor harmonie en idyllische rust.

De Engelse schrijver Ronald Blythe (1922) leefde in 1967 nabij Charsfield, een klein dorp in het Engelse Suffolk. In de winter van 1966-1967 interviewt hij tal van inwoners van Charsfield. Hij spreekt met onder anderen de landarbeider, de dorpsdokter, de brigadegeneraal, de leraar, de fruitplukker, de voorganger, de hoefsmid, de wijkverpleegkundige, de magistraat, het meisje met een beperking, de dichter en met de doodgraver. Wat zij tegen hem zeggen, schrijft hij op, eerlijk en liefdevol, met mededogen en milde ironie. Dat leverde in 1969 een boek op onder de titel ”Akenfield. Portrait of an English Village” dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen. Destijds werd het meteen een bestseller, in 1974 kwam er een verfilming.

In de kast

Met ”Akenfield” laat Blythe de ‘inheemse’ stem horen. Afgewisseld door zijn eigen korte observaties laat hij de mensen hun onopgesmukte relaas doen. We lezen dat de dorpelingen ouder worden dankzij de medische vooruitgang, dat ze lekkerder eten, dat hun weekloon hoger is, maar dat de nieuwe tijd ook eenzaamheid met zich meebrengt. Fred Mitchell, 85, paardenman: „De wereld is nu voorzien van enig comfort. Meer comfort en minder gesprekken. Mijn zoon praat niet veel. Hij wast, verschoont, zet thee, en is om zeven uur vertrokken. Ik weet niet waar hij heengaat. Dat vertelt hij me niet. Ik ben blij dat ik nog zulke mooie tijden mag meemaken.” De gepensioneerde wijkverpleegkundige Marjorie Jope van 79 zegt dat ouderen het slecht hebben en worden genegeerd. „Ze worden weggestopt, in een hoekje weggedrukt. Ik heb ze zelfs in een kast aangetroffen!”

Oud op je vijftigste

De lange strijd tegen de armoede en de slechte werkomstandigheden van het interbellum bepalen de meeste herinneringen. Leonard Thompson, 71, was landarbeider en memoreert dat de predikant bij hen thuiskwam en zei dat de oudste dochter des huizes van elf jaar van school af moest. Ze moest werken voor de oude mevrouw Wickes, die weduwe was geworden. Thompson: „Ze buitten mannen en jongens die op hun land werkten maximaal uit. Zonder er ook maar een seconde bij stil te staan, beulden ze ons zo veel mogelijk af, want met al die grote gezinnen was er een voortdurende toevoer van arbeidskrachten.”

Door de hardheid van het bestaan was je al oud als je vijftig was. Onderwijzer Hugh Hambling, 30, vertrouwt Blythe toe dat de dorpelingen er veel ouder uitzien dan ze in werkelijkheid zijn. „Zoveel dorpsvrouwen veranderen zodanig –een snelle omslag van schoonheid naar vormeloos comfort– dat het lijkt alsof de mannen als ze vijfenveertig zijn met hun moeder zijn getrouwd.”

In ”Akenfield” ontmoet de lezer de oudere, conservatieve generatie die in botsing komt met de jongere, vooruitstrevende generatie. De rijke boeren zonderen zich af van de eenvoudige landarbeiders en de ambachtslieden gaan de strijd aan met de technische ontwikkelingen.

Vrouwen

Vrouwen spelen een vooraanstaande rol in de dorpspolitiek. Anders dan mannen raken ze nooit hun onafhankelijke positie kwijt. Dat komt omdat ze parttime werken, lezen we bij Blythe. De mannen verloren al vroeg door uitputting hun gezondheid en kracht, en de vrouwen vulden met hun deeltijdwerk het lage boerenloon van hun man aan. Ze konden dat veel langer volhouden.

Onderwijsassistent Daphne Ellington heeft het niet zo op de dorpsjeugd. De kinderen zijn beleefd en netjes, maar met hun uitgestreken gezicht zeggen ze: „De hele dag doen we alles wat de juf wil, en daarna doen we wat wij willen!” Kinderen van buiten worden in elkaar geslagen en bespot, ziet Ellington. Goed presteren lijkt in ”Akenfield” een soort verraad: al dat onderwijs dient nergens toe, het helpt je geen stap vooruit.

Strict baptists

Een apart hoofdstuk wijdt Blythe aan het domein van het geloof en de kerk. Meer dan een derde deel van de bevolking is betrokken bij de activiteiten van de anglicaanse kerk of de strict baptists. De God van zowel de anglicanen als strict baptists wordt benaderd met een godsdienstigheid die gematigd, pragmatisch en niet-emotioneel is, signaleert Blythe. Het Book of Common Prayers en de King Jamesbijbel verdienen veruit de voorkeur boven moderne vertalingen en liturgische vernieuwingen.

Over de strict baptists schrijft Blythe dat zij in een „extreme teruggetrokken staat” leven en een „met de rug naar de wereld gekeerde houding” hebben. De baptistengemeente van Akenfield was vanaf 1812 zelfstandig en „heeft vanaf dat moment van geen enkele zin uit haar voorschriften afstand gedaan.” Merkwaardig genoeg is het ook wel weer een „vrij knusse en opgewekte kerk” alsook een „oeverloos uitleggende kerk waarin generatie op generatie, sabbat op sabbat, plattelanders puzzelen over de betekenis van het Woord.” Marjorie Jope trad als wijkverpleegkundige in de intimiteit van mensen. Zij zag dat veel mensen hun geloof niet existentieel beleefden. „Mensen zien me als degene die aanwezig is bij het begin van hun leven, maar in de meeste gevallen ben ik er ook aan het einde daarvan. Bij hun sterfbed bleef ik altijd een of meerdere nachten op. Sommigen spraken over God, maar dat gebeurde heel, heel zelden. Zelfs degenen die met de kerk waren opgevoed, spraken als ze stierven zelden over God.”

In verval

Anno 1966-1967 zegt smidsknecht Francis Lambert (25) dat de kerken in verval zijn geraakt. „Zondag is de grote gokdag geworden. Mijn vader gaat liever naar de baptistische dan naar de anglicaanse kerk – dat geldt voor de meeste mensen.” Het immer waanzinniger levenstempo maakt de kalmte en zekerheid binnen de gemeenschap van de strict baptists tot een grote verademing. „De mensen klampten zich indertijd vast aan religie, wat volgens mij een goede zaak was, want als ze geen godsdienst zouden hebben gehad, was de revolutie uitgebroken. Door religie leerden we ons beheersen en kregen we de kracht om de dingen aan te kunnen”, aldus Leonard Thompson. De dorpsdokter evenwel heeft overwogen Christus te volgen, maar heeft het niet op „dat gedoe” in de kerk. En de brigadegeneraal vindt dat je pas vanaf je veertigste predikant zou mogen worden. Want dan pas ken je het leven.

Brexit

In het voorwoord bij deze Nederlandse uitgave lezen we dat de grote verandering op het platteland zich voltrok tussen 1960 en 1990, toen het er om ging zo veel mogelijk graan te verbouwen. Het was choquerend om te zien hoe oeroude hagen met bulldozers werden geruimd, hoe het land werd bewerkt met chemicaliën waar boeren nauwelijks iets van afwisten. Tegenwoordig, na de uitslag van het brexitreferendum, heerst er onder de agrarische bevolking van Engeland opnieuw een onzekerheid die de meesten slechts uit de boeken kennen en uit de verhalen zoals je die leest in ”Akenfield”.

----

Boekgegevens

”Akenfield. Portret van een Engels dorp”, Ronald Blythe (vertt. Edzard Krol); uitg. Lebowski, Amsterdam, 2016; ISBN 978 90 488 2844 9; 415 blz.; € 22,50.