Bloed: van rituele offers tot aderlaten

Barbier te midden van zijn familie, geportretteerd in zijn winkel terwijl hij bezig is met een aderlating. Geschilderd in 1669 door Egbert van Heemskerck. beeld Wikimedia
2

Ooit geweten dat de moderne geneeskunde aderlaten nog steeds toepast? En dat artsen in de negentiende eeuw massaal bloedzuigers inzetten? Een greep uit de talloze weetjes in ”Bloed. Een geschiedenis” van de Belgische hematoloog prof. Marc Boogaerts.

Wie deze vrijdag, op Wereld Bloeddonordag, graag meer wil weten over de rol van bloed in de geschiedenis, de kunst en de wetenschap, heeft met het boek van Marc Boogaerts alles in handen om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Het boek behandelt een scala aan facetten van bloed. Tijdens het lezen wordt duidelijk hoe veelomvattend dat is.

Dat begint al direct na de inleiding. De grotten in het Franse Lascaux: wie denkt daarbij aan bloed? Boogaerts wel. Jachttaferelen laten volgens hem zien dat prehistorische kunstenaars de eerste link legden tussen bloed en leven. Op een van de taferelen, volgens hem zo’n 17.000 jaar oud, wordt een stervende buffel in een grote plas bloed afgebeeld.

Nagenoeg alle religies, enkele uitzonderingen zoals het boeddhisme daargelaten, kennen in hun rituelen en symbolen een belangrijke rol toe aan bloed, stelt de auteur. Vroege Chinese dynastieën gebruikten, wellicht als eerste, rond 1500 voor Christus rituele slachtingen van honderden dieren in één keer om de goden gunstig te stemmen. Ook deinsden ze er niet voor terug om bij het overlijden van een van hun heersers honderden gevangenen mee het graf in te sturen.

Oorlogsgod

Ongeveer in dezelfde tijd ontstond een cultuur en religie die „niet minder bloeddorstig was”: de Hebreeuwse traditie. Die begint met de moord van Kaïn op zijn broer Abel. „De hele Joodse geschiedschrijving, zoals weergegeven in de Talmoed en het Oude Testament, druipt letterlijk van het bloed.” De schrijver noemt de God van de Israëlieten in de eerste vijf boeken van het Oude Testament een „bloeddorstige oorlogsgod.”

Daaruit ontstond de christelijke godsdienst, die, „moe van het eeuwenlange bloedvergieten”, een boodschap bracht waarin vrede, solidariteit en altruïsme centraal staan. „Maar ook daarin zou bloed een overheersende rol spelen: het bloed van de Messias werd immers vergoten om de zonden van de gelovigen te vergeven.” Ook zouden christenen in de daaropvolgende 1500 jaar zelf „miljoenen slachtoffers” maken bij onder meer de kruistochten en Contrareformatie.

Volgens de auteur leidde de overgang van polytheïstische naar monotheïstische godsdiensten vaak tot onnodig bloedvergieten. „Waar in het polytheïsme de gelovigen het bestaan van andere goden naast de hunne gemakkelijk konden aanvaarden, raakten de monotheïsten snel overtuigd van het ‘feit’ dat hun god de enige ware was en dat de rest van de wereld de unieke en enige waarachtige boodschap dan ook moest aanvaarden.”

Los van de vraag of Boogaerts met deze stellingen gelijk heeft, begeeft hij zich op glad ijs: hij is immers geen theoloog. De christelijke lezer haalt daarom opgelucht adem als hij de eerste vijftig pagina’s gepasseerd is en het tweede deel van het boek, over de geschiedenis van de wetenschap van het bloed, aanbreekt. Dat komt dichter bij de expertise van de auteur, ook al is Boogaerts evenmin historicus.

De oude Egyptenaars hadden veel medische kennis opgedaan door het mummificeren van lichamen. Helaas ging veel van hun kennis verloren. De eerbied voor de waardigheid van het menselijk lichaam belette experimenteel, anatomisch onderzoek naar de bouw en werking van het lichaam.

Viervochtenleer

Claudius Galenus (129-204 na Chr.), een van de bekendste artsen uit zijn tijd, baseerde zijn medische theorieën op de oude Grieken en op kennis die hij opdeed uit het opensnijden van dieren. Aan de hand van de vier vochten in het lichaam –gele gal, bloed, slijm en zwarte gal– kon een geoefend arts volgens Galenus diagnoses stellen, prognoses bepalen en therapieën samenstellen. Bloed zou bij mannen omgezet kunnen worden in zaad, en bij vrouwen na de zwangerschap in melk.

Een belangrijke doorbraak in de medische wetenschap kwam tot stand door een verordening van paus Sixtus IV, die in 1482 bepaalde dat dissectie van menselijke lichamen toegelaten was. Wel op twee voorwaarden: het moest gaan om het lichaam van een terechtgestelde crimineel, en het lichaam moest achteraf toch nog een christelijke begrafenis krijgen.

Na de verordening bracht anatomisch onderzoek algauw aan het licht dat de theorieën van Galenus niet deugden. Theophrastus Bombastus van Hohenheim (1493-1541), beter bekend als Paracelsus, liet zijn studenten kostbare medische boeken verbranden, overtuigd als hij was dat de viervochtentheorie „complete nonsens” was. Paracelsus zorgde voor een „kantelpunt” in de medische wetenschap, omdat de geneeskunde vanaf dan het lichaam meer als een chemisch systeem dan als een systeem van vochten ging beschouwen. Paracelsus verwierp eveneens het door Galenus veelgeprezen aderlaten om overtollig bloed te verwijderen.

Aderlaten

Volgens Boogaerts hebben weinig geneeskundige technieken zo veel eeuwen overleefd als aderlaten. Al in de tijd van de farao’s, zo’n 4000 jaar geleden, wordt aderlaten afgebeeld als heilzame techniek voor diverse ziektebeelden. Sommige voorschriften in de tijd van Galenus gaven aan dat men moest aderlaten tot de patiënt op de grond viel om optimaal effect te hebben. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat er zo nu en dan een patiënt leegbloedde of onomkeerbare bloedarmoede opliep.

Ook de moderne geneeskunde past nog aderlaten toe. Bij sommige beenmergziekten is er sprake van overproductie van rode bloedcellen. Een aandoening waarbij aderlaten ook kan helpen, is hemochromatose of ijzerstapeling, waarbij de darm abnormaal veel ijzer opneemt.

Bloedzuigers

Een andere manier om ‘overtollig’ bloed te verwijderen werd gevonden in het gebruik van bloedzuigers. Artsen pasten de weekdiertjes vooral toe op plaatsen waar insnijdingen onmogelijk waren, zoals bij ontstoken tandvlees of ter hoogte van aambeien. In Rusland schreven de artsen Mudrov en Diadkosvky zogeheten bloedzuigersessies voor. Per sessie lieten ze tachtig tot honderd bloedzuigers los op een patiënt met „epilepsie, hersenontstekingen of hysterie, alsook tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen.” Er werden zo veel bloedzuigers gebruikt –alleen al de Russen gebruikten een gemiddelde van 30 miljoen stuks per jaar– dat ze de status ”bedreigde diersoort” verwierven. De prijzen voor „het slijmerige goud” rezen de pan uit. In sommige ziekenhuizen bedroegen de kosten voor het aankopen van bloedzuigers bijna een derde van het budget.

”Bloed. Een geschiedenis” biedt een schat aan informatie over de medische geschiedenis, met bloed als rode draad. Het boek leest vlot, al is de breedte van het onderwerp soms verwarrend. Helaas ontbreken bronverwijzingen in de voetnoten. Ondanks een literatuurlijst zorgt dat voor een zwakke onderbouwing.

Bloed. Een geschiedenis, Marc Boogaerts; uitg. Het Spectrum; 350 blz.; € 24,99.